SEARCH
TOOLBOX
LANGUAGES
Beleidsbeïnvloeding

Beleidsbeïnvloeding

Uit Participatiewiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Lokale beleidsbeïnvloeding



Wat is beleidsbeïnvloeding?

Verkozen gemeenteraadsleden en het college van burgemeester en schepenen nemen, namens de inwoners, beslissingen en wegen daarbij verschillende belangen tegen elkaar af. Deze verkozen vertegenwoordigers kunnen niet alles weten wat er onder de bevolking leeft, hoe men bepaalde plannen zal onthalen enz. Daarom is het belangrijk dat burgers inspraak krijgen en die kans ook grijpen om mee te praten over de toekomst van hun directe omgeving.

Inspraak betekent dat je de mogelijkheid krijgt je bezwaren te uiten, ideeën aan te brengen, alternatieven voor te stellen, … en dat de gemeentelijke overheid de plicht heeft met dat alles ernstig rekening te houden. Uiteindelijk is het wel aan de verkozen bestuur om de knoop door te hakken en de beslissing te nemen, rekening houdend met een afweging van alle belangen.

Beleidsbeïnvloeding kan vanuit twee kanten opgezet worden. Het beleid kan de stap naar de burger zetten vanuit de bezorgdheid over de kloof tussen burgers en politiek. De burgers, die dankzij een toegenomen mondigheid en aangeboden inspraakmogelijkheden, actief deelnemen aan het beleid. Telkens met als primaire doelstelling: het beleid aanpassen, bijsturen, … beïnvloeden dus!


Beleidsbeïnvloeding als lokale participatie?

We onderscheiden verschillende vormen van lokale participatie en het beïnvloeden van het lokale beleid is daarbij eigenlijk altijd de bedoeling.

De overheid neemt initiatief

Burgers beschikken vandaag over meerdere mogelijke instrumenten om te participeren. Dit gaat van verkiezingen, hoorzittingen, informatievergaderingen tot het vragen van advies aan adviesraden (cultuurraad, sportraad, jeugdraad, ..).


De burger neemt initiatief
Burgers wachten natuurlijk niet altijd het initiatief van politici of gemeentebesturen af. Ze komen ook zelf in actie. Deze vormen van beïnvloeding vragen een andere aanpak.

Sintobin en Vancoppenolle[1] ontwikkelden op basis van het model van de black-box van Easton een schematische weergave van beleidsbeïnvloeding.
Daarbij zijn volgende 6 elementen belangrijk:

  1. de overheid is geen gesloten systeem. Integendeel, het gaat over een erg doorlaatbaar systeem waarin een veelheid aan actoren betrokken zijn en allemaal een vorm van beïnvloeding willen uitoefenen.
  2. ‘de overheid’ is een term die in onze realiteit slaat op veel verschillende bestuurslagen en bestuurders en overheidsinstanties. Al deze actoren nemen beslissingen die op de één of andere manier gevolgen hebben voor ons dagelijks leven. Ze kunnen dus allemaal relevant zijn voor wie invloed wil uitoefenen op het beleid.
  3. wie invloed wil uitoefenen op een bepaald dossier, moet er voor zorgen dat het dossier op de agenda komt. Het model onderscheidt drie agenda’s: de publieke agenda, de politieke agenda en de beleidsagenda. Deze laatste is de lijst van onderwerpen die niet alleen de aandacht van een beleidsactor hebben, maar waarvoor hij ook bezig is maatregelen voor te bereiden of uit te voeren. Beide andere agenda’s kunnen wegen zijn waarlangs onderwerpen op de beleidsagenda kunnen geplaatst worden.
  4. het model wijst er nogmaals op dat beleid maken méér is dan beslissingen nemen. Het onderscheidt verschillende beleidsfases: agendavorming,beleidsvorming, beleidsbepaling en beleidsuitvoering. Daarnaast geeft het model ook een beeld van de relevante overheidsinterne beleidsmakers: politici, ambtenaren en verzelfstandigde organisaties of intermediaire instanties.
  5. in elk van de fases, op elk van de actoren kan invloed uitgeoefend worden. Het model erkent met andere woorden de variëteit aan beïnvloedingsmiddelen- en technieken.
  6. tenslotte geeft het model ook aan dat de overheid zelf initiatieven neemt waarmee het de burger uitnodigt mee te denken over beleid.

Besluitvorming

Nog te dikwijls wordt beleid te eng beschouwd als het nemen van een beslissing. Aan die beslissing gaat een heel proces vooraf en ook na de beslissing is het nog niet afgelopen. Beleidsbeïnvloeding is mogelijk in elke fase van dit proces, maar best is natuurlijk zo vroeg mogelijk in actie te schieten.

Dat proces begint met een probleemsignalering. Die kan komen vanuit het beleid, van individuele burgers of uit een adviesraad of vereniging zelf. Raden en verenigingen kunnen ook proactief optreden.
Nadat een probleem gesignaleerd is, moet het juist gedefinieerd worden. Ook daarin kan een vereniging een rol spelen, vanuit zijn eigen deskundigheid, kan hij mee wegen op de probleemdefiniëring. Dat is belangrijk, want welke oplossingen nadien in overweging worden genomen, hangt uiteraard sterk samen met hoe het probleem gedefinieerd is.
Eens gedefinieerd, kan men gaan analyseren. Hier is duidelijk een taak voor de gemeentelijke administratie weggelegd, maar ook een raad of vereniging kan, met eigen deskundigheid in huis, hier haar eigen analyse maken.
Nu het probleem van verschillende kanten uit geanalyseerd is, kan men beginnen denken aan oplossingen. Daarbij is het belangrijk dat men de analyse uiteraard goed in het achterhoofd houdt. Stop niet met zoeken naar oplossingen zodra er één is geopperd. Dikwijls zijn er andere alternatieven mogelijk en is het zinvol deze ook in overweging te nemen.
De verschillende mogelijke oplossingen worden dan tegen elkaar afgewogen. Pas daarna wordt er een beslissing genomen. De uiteindelijke beslissing komt in de meeste gevallen nog steeds toe aan het gemeentebestuur.
Maar zelfs met het nemen van een beslissing is het nog niet gedaan. Beleid moet uitgevoerd worden. Ook daarop kan een vereniging ‘toezien’. Tijdens of na de uitvoering van het beleid komt er dan een evaluatie en indien nodig een bijsturing.

Het is duidelijk dat het zinvol is om participatie in een zo vroeg mogelijk stadium te laten beginnen. Als je op het beleid wil wegen, is dit een weg met vrij veel kans op succes.



Concrete aanpak

Een eerste voorwaarde om invloed te kunnen uitoefenen op het beleid van de overheid is inzicht in het beleid. Dat vraagt in de eerste plaats om openbaarheid. Dit wil zeggen dat iedereen kennis kan nemen van beslissingen, vergaderingen kan bijwonen en de daarbijbehorende stukken kan inzien. Want ook als men weet wat het gemeentebestuur tot nu toe heeft besloten, dan nog kan een volgende beslissing een verrassing zijn. Vandaar het belang van beleidsplannen, omdat die het beleid meer voorspelbaar maken voor de burgers – en hoe meer voorspelbaard beleid wordt gevoerd, hoe gemakkelijker men daarop kan inspelen.
Een tweede voorwaarde is informatie. Inspraakprocedures kunnen alleen maar succes hebben als de mensen op voorhand over voldoende informatie beschikken.

Om invloed uit te oefenen op beleid, moet je echter meer doen dan alleen reageren op plannen van de overheid. Het is belangrijk dat je (zeker als adviesraad) eigen standpunten ontwikkelt en uitdraagt. Dit doe je overigens best zo vroeg mogelijk in het proces van besluitvorming.

Uit de praktijkervaring van verschillende organisaties, kunnen we volgende 8 stappen onderscheiden in het strategisch aanpakken van beleidsbeïnvloeding:

Stap 1: verzamel alle informatie over het project / de beslissing / … in kwestie
Stap 2: zoek je ‘bondgenoten’ en je ‘tegenstanders’, bouw netwerken op, maak onderscheid in doelgroepen
Stap 3: lijst alle pro- en contra-argumenten op. Maak ook hier een onderscheid per doelgroep
Stap 4: spreek politici aan, informeer hen over jouw standpunt, onderbouw dat met feiten, …
Stap 5: maak gebruik van alle procedures of kanalen die worden aangeboden om inspraak te hebben
Stap 6: zet ook alles duidelijk, overzichtelijk, beknopt op papier (bv. tijdens openbaar onderzoek)
Stap 7: lobby
Stap 8: ga indien nodig in beroep tegen de genomen beslissing


Valkuilen en risico’s

  1. een al te afwachtende houding – te laat in actie schieten
  2. te hard van stapel lopen en zo mogelijke bondgenoten tegen je in het harnas jagen
  3. de middelen niet aanpassen aan het doel
  4. geen visie hebben op de toekomst of het groter geheel, enkel ad hoc werken
  5. cavalier seul spelen – niet kunnen terugvallen op een netwerk
  6. onvoldoende op de hoogte zijn van plannen, kaders, geldende juridische / wettelijke bepalingen, begrotingen, …
  7. geen strategie hanteren
  8. niet onderhandelen, maar vechten of juist te veel samenwerken


referenties

  1. Sintobin Benoit & Vancoppenolle DiederikfckLRIn: Baert Herman, De Bie Maria, Desmet André, Van Elslander Michel & Verbeke, Luc. Handboek samenlevingsopbouw in Vlaanderen. Brugge, Die Keure. pp. 723-741.


links

http://www.lobbyplanet.eu | blog en wiki over beleidsbeïnvloeding op Europees niveau