Beleidsparticipatie door etnisch-culturele minderheden: een verhaal met kanttekeningen
Uit Participatiewiki
Inhoud |
Een verhaal uit de signalenronde rond opvoeding en onderwijs
De schepen van onderwijs van de stad wil vragen en ervaringen ivm onderwijs en opvoeding van de allochtone gemeenschappen verzamelen om het beleid daarop te kunnen afstemmen. Hij doet daarvoor beroep op een samenwerkingsverband van allochtone zelforganisaties en de stad. De Turkse en Maghrebijnse gemeenschap kwamen al aan de beurt. Dit gesprek is het eerste gesprek uit de signalenronde bij de Zwart-Afrikaanse gemeenschap. De gesprekken die volgden verliepen telkens helemaal anders.
Dit gesprek was bijzonder omdat we achterbleven met meer vragen dan antwoorden. En omdat het een ander perspectief inbrengt op inspraak en participatie.
De brooddoos. Daar begint het gesprek mee. Een van de mannen neemt de brooddoos vast en begint over de schoolfactuur. ‘On parle de l’école gratuite, mais en réalité …’ Anderen pikken daarop in met eigen ervaringen.
Tot A. het woord neemt. “We zijn hier niet om over facturen te spreken, want die moeten Belgische ouders ook betalen, we zijn hier om te spreken over de problemen van de Zwart-Afrikaanse gemeenschap.” “Je veux vous dire trois choses…” zegt hij en begint dan zijn uiteenzetting. Hij richt zich daarbij bijna rechtstreeks tot de schepen. La première chose… dat gaat over het beeld dat de onderwijzers geven over Afrika: er zijn slangen, er zijn geen huizen, geen auto’s. La deuxième chose is het pesten: de kinderen worden nog te vaak gepest omwille van hun huidskleur en onderwijzers grijpen onvoldoende in. A. vertelt hoe hij zelf was gaan praten met de vader van een klasgenootje dat een van zijn kinderen voortdurend aan het pesten was.
Derde en laatste punt zijn de inschrijvingen. Als kinderen van de Zwart-Afrikaanse gemeenschap van school veranderen worden hier allerlei andere redenen: grote achterstand, wangedrag etc. Terwijl de ouders gewoon hun kind willen inschrijven in de dichtstbijzijnde school.
Ik geef hieronder niet het hele gesprek weer. Ik wil enkel een aantal boeiende perspectieven tonen. Mij gaat het hier nu niet om wat gezegd werd over ‘onderwijs en opvoeding’, maar om de methodiek van de participatie zelf.
A. had eerder al gevraagd wie de schepen nu was. Hij kende de naam –die ik nu vergeten ben- van de vorige schepen. A. wil met zijn inbreng meteen ter zake komen: de problemen van de Zwart-Afrikaanse gemeenschap i.v.m. opvoeding en onderwijs. De schoolfactuur heeft hier niets mee te maken. Dat leidt tot discussie en verwarring. Wat wil die schepen nu eigenlijk? Waarom roept hij ons als leden van de Zwart-Afrikaanse gemeenschap samen? Gaat hij daar dan ook echt rekening mee houden? De scepsis wat dat laatste punt betreft, is groot.
Waarover gaat het? De meningen verschillen: zijn we hier als ‘ouders’ aanwezig en praten we als ouders. Of als ‘Zwart-Afrikaanse’ ouders. De schepen kent de problemen wel. Daarover hoeven we het niet meer te hebben. We hebben ook voorstellen, zegt iemand. Bijvoorbeeld wat die schoolfacturen betreft. Eerst kindergeld geven en het dan weer vragen, dat maakt het zo ingewikkeld voor onze mensen. Waarom niet de school echt gratis maken, inclusief de opvang tijdens de middag en na de school, en dan minder kindergeld geven?
De schepen kan hier toch niets aan veranderen. ‘C’est une perte de temps!’, zegt I. Als wij de dingen willen veranderen, moeten we naar de scholen trekken en van ons laten horen. En als de schepen ons wil horen, moet hij ons daar aanspreken en ons niet categoriseren als ‘groep’ apart. Dit is geen goede werkwijze, dit is discriminatie. Hij staat recht en doet zijn jas aan. De anderen proberen hem nog te weerhouden: je werpt iets op, start een discussie en gaat er dan vandoor. Dat past toch niet. Maar I. wijst verontschuldigend naar de 2 kinderen die met hem meegekomen zijn en houdt het verder voor bekeken.
“Il faut investir… “ Ik weet niet meer wie dat inbracht. We moeten investeren in onze kinderen en dus aanwezig zijn in de scholen. Il faut qu’on rentre dans la compétition. Als Don Bosco de beste school is, dan moeten onze kinderen naar Don Bosco. Onze kinderen moeten ten volle kunnen genieten van het onderwijs hier. Als scholen tijdens de les wiskunde een groepje kinderen apart zet voor ‘cours de rattrapage’ in het Nederlands is dat een vorm van discriminatie. Onze kinderen mogen niet apart gezet worden. Zij moeten dezelfde kansen krijgen. “L’egalité des chances”. En wij moeten ijveren voor alles wat daartegenin gaat.
Iemand anders neemt het woord. “Il faut se diversifier”, zegt hij, het is onze eigen verantwoordelijkheid om naar de scholen te stappen en onze stem te laten horen, we doen dit nog veel te weinig.
Il faut éviter de culturaliser… de problemen waar we mee te maken hebben zijn niet te verklaren door onze Afrikaanse roots. En in dezelfde tussenkomst wordt ook ‘informatie’ aangehaald als ‘clé’. De informatie i.v.m. opvoeding en onderwijs bereikt ons nog onvoldoende en is niet aangepast aan onze mensen. Ze moeten meer en beter betrokken worden bij het schoolgebeuren.
Goede voorbeelden… die zijn er zeker. Zoals de ‘jumellages: uitwisselingen en verbroederingen tussen scholen hier en in Afrika. Of als scholen mensen uitnodigen om met de kinderen djembé te spelen of Afrikaans te koken. Dat gebeurt hier en daar, maar nog veel te weinig.
Alle aanwezigen hebben hun zeg gedaan. Ik probeer af te ronden. We bekijken samen wat er nu met die gedachten gebeuren zal. Of het mogelijk is dat N. de neerslag van het gesprek aftoetst bij hen, vooraleer het aan de schepen te bezorgen, vraag ik. En zo spreken we af. De deelnemers voegen eraan toe wat ze in het begin ook reeds zeiden: we willen zelf met de schepen praten. In het afsluitend rondje waarin ik vraag naar het ‘allerbelangrijkste’, gaat het vooral over ‘l’ épanouissement de nos enfants’ en respect als basis.
Hoeveel participatieruimte is er écht?
“Doe je je jas aan?” “Ga je alsjeblieft eerst je handen wassen?” Vragen zijn dit, die ik - en met mij zovele andere mama’s en papa’s- stel aan m’n kinderen, maar die als ik erover nadenk eigenlijk gewoon bevelen zijn in cadeaupapier. Voor een ‘nee’ is hier meestal tijd noch ruimte. Want we moeten binnen 5 minuten op de fiets zitten, willen we op tijd op school geraken en ik ben nog volop aan het zoeken waar die handschoenen van de kleinste nu weer liggen. Ook in mijn hoofd is geen ruimte voor gesprek. Als de oudste nog iets begint te vertellen, onderbreek ik hem, “ik kan nu niet goed luisteren, ik ben bezig met het zoeken van die handschoenen en ik wil graag op tijd komen”.
Valse inspraak dus. Een schone schijn van inspraak. “Doe wat ik je vraag.” Waarom vraag ik? Omdat ik een lieve mama wil zijn. Waarom vraagt het beleid naar de mening van deze mensen over onderwijs en opvoeding? Omdat het een lief beleid wil zijn?
Welke ruimte is er echt voor inspraak? Tijdens dat eerste gesprek van de signalenronde is die vraag in ieders achterhoofd aanwezig. De deelnemers bevragen en betasten voortdurend die ruimte. Is ze echt? Waartoe is dit nodig? Wat gaat de schepen hiermee nu doen? Wat wil hij weten? Hij kent de problemen toch? Waarom kunnen we niet met hem zelf praten? N. en ik, de ‘uitvoerders van de signalenronde’ kunnen hierop geen afdoend antwoord geven.
Participeren is interactie, is een heen- en weerbeweging, is zeggen én beluisterd worden. Het is best mogelijk dat er al een behoorlijke dosis argwaan aanwezig was vanuit eerdere negatieve ervaringen met ‘participatie’, maar doordat we tussenpersonen waren en niet helder konden zijn over de reikwijdte en de procedure konden we geen garantie bieden dat ze beluisterd zouden worden. En dan krijgt het ondanks alle goede bedoelingen iets dwingends, dat ‘participeren’, iets zoals ‘doe je je jas aan?’
Wie heeft het voor het zeggen?
N. en ik vertegenwoordigden ‘het luisterende oor’ van het beleid. De aanwezige mannen namen de rol in van spreekbuis voor hun mensen. Maar hoe voer je een goed gesprek met plaatsvervangende luisteraars en onduidelijk afgevaardigde spreekbuizen? Is dat niet bij aanvang reeds gedoemd tot dovemansgesprek?
Wie mag de vragen stellen? Wie mag de antwoorden formuleren? Hier speelt macht haar spel. Vanuit dat perspectief kunnen verschillende vragen gesteld worden:
Wie heeft de vraag?
Wiens idee was dit eigenlijk? Hoe en vanaf wanneer werden de betrokkenen ‘echt’ betrokken? Ik bedenk hierbij dat hun perceptie, hun verhaal daarbij ook wel eens meer doorslaggevend zou kunnen zijn dan de feiten. Hoewel naar alle waarschijnlijkheid nauwgezet alle formele stappen gezet werden om samen tot een project te komen, toch hadden deze mensen het gevoel dat de vraag op hen afkwam in plaats van dat zij mede-eigenaar waren van de vraag.
Wie heeft het antwoord?
Heeft wie het woord voert ook het antwoord?
Zo gebeurt het vaak wel, denk ik. De andere antwoorden komen we gewoon niet te weten, die zijn thuisgebleven, met de kinderen.
Bij het gesprek die dag waren immers enkel mannen. Zij spraken voornamelijk in de wij-vorm over hun bekommernissen i.v.m. opvoeding en onderwijs. Af en toe en ter illustratie was er een ‘ik’ aan het woord.
Culturaliseer jezelf?
Cultuur is als concept met verschillende betekenissen in dit gesprek aanwezig, dan weer weggewuifd, dan weer aangeprezen. Egalité is erg belangrijk voor deze mensen, ze willen een gelijke behandeling en vooral gelijke kansen. Want daar gaat het om, niet om ‘life style’, maar om ‘life chances’. Of toch een beetje? Als ik vraag naar goede voorbeelden, wordt verwezen naar wat in mijn ogen klassiekers zijn, bijna stereotypen: djembé en Afrikaans koken.
‘Il faut éviter de culturaliser’, zei iemand. Cultuur lijkt me inderdaad nooit een afdoende verklaring. Maar wat met die djembé’s? Mag culturaliseren dan wel als positieve beeldvorming betreft? Festivalgewijs?
Of mag culturaliseren enkel als het jezelf betreft?
Il faut se diversifier
Het kruispuntdenken biedt een alternatief voor het denken in identiteiten. Mensen zijn niet onder één hoedje te vangen: ze zijn bijvoorbeeld niet alleen moslim, maar ook vrouw en mama en buurvrouw en Belg … en dat allemaal afhankelijk van wanneer en waar je hen aanspreekt of zij jou aanspreekt. Op kruispunten komen verschillende assen samen uit het verhaal van een mens, van een groep mensen. Tijdelijke plaatsen van botsing en ontmoeting zijn het, van verschillende perspectieven maar gedeelde belangen, explosief én creatief…
Situeren onze uitdagingen zich niet net daar, op die spanningsvelden?
Il faut se diversifier…
Deze zin gaat nog een stapje verder dan het ‘denken’ in kruispunten, dit gaat over leven in kruispunten en daar op die kruispunten ook handelen… ‘Onze gang gaan’ ons leven doorheen dat van zovele anderen weven en daar waar levens elkaar kruisen onze zeg doen, ons verhaal brengen, luisteren naar de beleving van anderen en samen vorm en betekenis geven aan stukjes gedeelde wereld.
Se diversifier… maar niet altijd. Aan tafel daar zitten twee ‘zelforganisaties’, groepen van mensen die zich verbonden hebben rond hun gemeenschappelijk land van oorsprong. We hebben in een wereld vol verschil ook nood aan gelijkenis, rustpunten, plekken om ‘thuis’ te zijn of te maken.
Bronnen
Taelman, A. , 'Participerend werken met je doelgroep', Gent, 2009 onuitgegeven syllabus, Stichting Lodewijk de Raet (www.de-raet.be)