SEARCH
TOOLBOX
LANGUAGES
Burgerschap in instellingen

Burgerschap in instellingen

Uit Participatiewiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Inleiding

Actief burgerschap en instellingen: contradictio in terminis?
Als we aan instellingen denken, komen de woorden ‘actief burgerschap’ niet onmiddellijk bij ons op. Participeren aan de samenleving en instellingen. Het lijkt alsof deze twee lijnrecht tegenover elkaar staan! De vraag is dus of actief burgerschap kán aanwezig zijn in een instelling. Kan je op een actieve manier deel uitmaken van de maatschappij in een instelling?
Het antwoord is: dat kan zeker! Toch zijn er nog valkuilen in het streven naar actief burgerschap binnen een instelling. De voornaamste zijn: labeling en afscherming van de maatschappij. Onmiddellijk worden een aantal tips toegevoegd om niet in deze vallen te trappen. De valkuilen die besproken worden, gelden voor verschillende soorten instellingen zoals de voorziening voor mensen met een handicap, GGZ-voorziening[1], asielcentrum en gevangenis. 

Labeling

Wat is labeling?

Labeling[2] betekent dat je een etiket op iemand kleeft. Daarmee geef je aan dat deze persoon tot een andere groep behoort dan jij. Een label gaat vaak gepaard met heel wat vooroordelen, clichés en veralgemeningen. Iedereen labelt. Voortdurend, bewust of onbewust, negatief of positief. Iedereen heeft bovendien redenen om anderen te labelen. Deze zijn velerlei. Het kan gaan van persoonlijke (negatieve) ervaringen met iemand uit die welbepaalde groep, onwetendheid, gemakzucht of onbegrip tot een algemene, praktische nood aan veralgemening. Labeling maakt de wereld namelijk eenvoudiger.


Gevolgen van labeling

Het effect van labeling op mensen kan zeer verschillend zijn. Hoe ze zich voelen en hoe ze naar zichzelf kijken, speelt hierbij een grote rol. Sommigen voelen zich gekwetst en beknot in hun vrijheid door het label. Anderen gaan er tegen in, waardoor ze hun mannetje leren staan in de maatschappij.
Labeling kan je in een bepaalde richting duwen en nefast zijn voor je persoonlijkheidsontwikkeling. Het kan in het ergste geval tot uitsluiting of andere ernstige ongewenste effecten leiden. Labeling kan echter ook opluchting betekenen, zo bijvoorbeeld bij een ‘diagnoselabel’ voor een bepaalde stoornis of ziekte. Het kan ook een band scheppen tussen mensen met hetzelfde label. Het label dat gekleefd wordt op mensen die in een instelling verblijven of verbleven, is meestal negatief. Deze personen worden veelal in de eerste plaats niet gezien als burgers, maar als hun label, zoals ‘de gek’, ‘de gehandicapte’, ‘de gevangene’, ‘de asielzoeker’. Meestal hangen aan dit label heel wat vooroordelen vast. De gek ziet spoken. De gehandicapte is dom. De gevangene is gevaarlijk. De asielzoeker is een profiteur. Dit label in combinatie met de vooroordelen die eraan verbonden zijn, staat actief burgerschap in de weg. Tracht bijvoorbeeld maar eens als ‘de gek’ nieuwe vriendschappen op te bouwen. Niemand wil toch te maken hebben met ‘een gek’!


Negatieve effecten verminderen

De negatieve effecten van labeling kunnen verminderd worden door te sensibiliseren op alle niveaus. Op het niveau van de politiek en de overheid dient de regelgeving consequenter en gedetailleerder te worden. Zo bijvoorbeeld moet iemand die gescheiden is, dit voor de rest van zijn leven invullen op alle overheidspapieren, onafgezien hoe de situatie van deze persoon op dat moment is. De media dient ook aangesproken te worden. Zij hebben een voorbeeldfunctie. Als zij respect tonen voor de persoon achter het label, zal de gewone burger ook meer respect krijgen. Door een gedetailleerd beeld te geven van de persoon achter het label, leren bovendien zowel de media als de burger dat niet iedereen met een label over dezelfde kam kan geschoren
worden. Ja, een aantal gevangenen zijn gevaarlijk. Maar het zijn niet allemaal Dutrouxs of Fournirets.
Ten derde kunnen scholen een grote rol spelen. Kinderen zijn de volwassenen van morgen. In de toekomst zullen zij het straatbeeld en het beleid bepalen. Ze zijn de toekomst. Door ‘leren omgaan met diversiteit’ deel van het lessenpakket te maken, leren kinderen al vroeg dat anders zijn verrijkend is en vooroordelen een last zijn.
Als laatste kunnen we zelf veel doen om de negatieve effecten te beperken. We kunnen onze vooroordelen bijstellen. Dat kan op verschillende manieren. We kunnen meer kijken naar de gelijkenissen tussen mensen, in plaats van ons te focussen op de verschillen. Daarnaast is het opdoen van ervaringen met verschillende doelgroepen een kans om de vooroordelen te doorprikken. Ook kijken naar de persoon achter het label en objectief kijken naar het label, zonder eigen interpretatie, zijn bevorderlijk. De manier waarop werknemers van instellingen omgaan met de personen die verblijven in de instelling en het beleid van de instelling, kan ervoor zorgen dat de burger op de voorgrond wordt geplaatst en niet het label.


Macht krijgen

Afscherming van de maatschappij

Actief burgerschap veronderstelt macht opnemen, maar ook macht krijgen. In een instelling wordt veelal alle verantwoordelijkheid van de persoon weggenomen. Het betuttelen zorgt voor passiviteit. Voor mensen die lange tijd opgenomen zijn in een instelling, is het een ramp als ze plots iets zelf moeten beslissen. Het wordt als zeer bedreigend ervaren. Hun burgerschap is de kop ingedrukt; laat staan dat ze actief burger zijn. Hoe kan een persoon die lange tijd op deze manier in een instelling verblijft, zijn leven terug opbouwen? 

De burger binnen de maatschappij

Het is dus belangrijk om ook in eeninstelling de burger op de voorgrond te plaatsen. De burger krijgt zelf beslissingsrecht, mag zelf keuzes maken. Het is essentieel om te luisteren naar wat de mensen zelf willen, om de mensen zelf macht te geven over hun eigen leven. Dat natuurlijk binnen de grenzen van het mogelijke. Het is evident dat de grenzen binnen een gevangenis minder breed zullen uitvallen dan binnen andere instellingen. Ook kan het zijn dat de grenzen voor de ene persoon verder liggen dan voor een andere persoon. Er dient namelijk rekening gehouden worden met de mogelijkheden van de personen zelf. Sommige mensen die in een GGZ-voorziening verblijven, kunnen bijvoorbeeld beter functioneren als ze hun dagelijks leven niet zelf dienen
te organiseren. Als de was en de plas door de voorziening wordt gedaan, kunnen ze werken en vriendschappen opbouwen. Als ze het zelf moeten doen, veroorzaakt het zoveel stress zodat werk of vrije tijd niet mogelijk is. Zorg op maat is dus een must.

Daarnaast dient de maatschappij voldoende binnen de instelling gebracht te worden. Dat kan bijvoorbeeld door een tentoonstelling te organiseren samen met de omgeving, door de deuren van de instelling open te zetten tijdens een ontmoetingsdag en dergelijke. Zo kunnen de personen tijdens hun verblijf in de instelling nog steeds deel uitmaken van de samenleving. Bijgevolg blijven ze de maatschappij kennen. Ze kunnen de veranderingen blijven volgen. Zo staan ze niet plots in een ongekende, bedreigende wereld na ontslag.

Het verhaal ‘Het gevang in de hemel’ van Paul van Ostaijen[3] vertelt wat er voorvalt als dit contact compleet verbroken wordt. De man in het verhaal had zich zo aangepast aan zijn gevangenisleven, zodat hij de gevangenis op de dag van in-vrijheid-stelling met een zwaar gemoed verliet. Hij deed zijn best zich aan te passen aan zijn nieuw leven, maar dat lukte hem totaal niet. Hij was enkel gelukkig in situaties die hem aan de gevangenis deden denken. Daarom creëerde hij zijn eigen soort gevangeniswereldje. In dat wereldje vertoefde hij. De buitenwereld kon hem gestolen worden. Uiteindelijk vermoordde hij iemand met als doel terug in de gevangenis te komen. In het verhaal lukt het niet allemaal zoals hij precies wil, maar de moraal van dit verhaal is hier wel belangrijk. De man was zo lang van de maatschappij gescheiden geweest, dat hij absoluut niet meer kon functioneren in de maatschappij. Hij was er niet gelukkig. Dit schrijnende verhaal mag geen gevolg kennen in de reële wereld. Daarom is het van belang om de personen in een instelling de mogelijkheid te geven actief burgerschap op te nemen en contact te onderhouden met de maatschappij. Ze moeten geïntegreerd kunnen blijven in de maatschappij. Ook zij maken namelijk deel uit van deze maatschappij, op hun eigen manier.

Als besluit kan gesteld worden dat elke persoon een burger is, waar deze persoon ook woont of leeft. Elke persoon moet de mogelijkheid krijgen om zich een burger te voelen en om actief burgerschap op te nemen. Elke persoon, ook een persoon die een tijdje of levenslang in een instelling verblijft. Binnen instellingen wordt veel ondernomen om actief burgerschap binnen de muren van de instelling te brengen. Dat kan enkel toegejuicht worden! Actief burgerschap en instellingen zijn dus geen contradictio in terminis. Ze kunnen samengaan. Daarbij moeten wel een aantal zaken in rekening gebracht worden in de instelling, zoals negatieve labeling achterwege laten en de persoon die verblijft in de instelling de macht op maat in handen geven.


  1. Geestelijke GezondheidsZorg.
  2. Op basis van het sensibiliseringsproject van Vijftact vzw. Meer informatie op www.vijftact.be.
  3. In: Van Ostaijen, Paul (1996). Het bordeel van Ika Loch. Groteske verhalen. Amsterdam: Ooievaar.