Coachende stijl van begeleiden
Uit Participatiewiki
In vogelvlucht overlopen we hieronder zes componenten die je in deze begeleidingsstijl kunt onderscheiden. De tekst is geplukt uit een artikel[1] en uit een tekstbundel[2] die gebruikt wordt in een opleiding over leiderschap.
Aandacht hebben door scherp waarnemen
Een coach behoort zo goed als alle verbale en non-verbale gedragingen van de gecoachte waar te nemen . Deze aandacht, noem het alertheid, helpt de coach om in te schatten of een interventie al dan niet gepast is, of een interventie ’aankomt’, of de coaching te snel of te traag gaat, enzovoort.
Respect tonen via communicatieve erkenning
Respect is een duur woord dat tastbaarder wordt in de praktijk van de communicatieve erkenning. Bij communicatieve erkenning maak je de gecoachte expliciet of impliciet duidelijk dat hij of zij het recht heeft te denken wat hij of zij denkt, te voelen wat hij of zij voelt en te zijn wie hij of zij is.
Empathisch zijn door zich te verplaatsen
Empathie betekent dat je je inleeft in de ander. De techniek van de verplaatsing kan ons hierbij kan helpen. Je verplaatsen komt erop neer dat je je zo letterlijk mogelijk in de schoenen van de ander stelt. Je als coach verplaatsten, betekent dat je je luidop afvraagt hoe jij je in de plaats van de gecoachte zou voelen en gedragen in zijn of haar specifieke situatie. Omdat twee mensen zich nooit voor de volle honderd procent op dezelfde golflengte kunnen stellen, kun je je ook nooit volledig in de gecoachte kunnen inleven. Maar de verplaatsingsoefening brengt ons wel aardig in de buurt.
Balans vinden tussen symmetrie versus asymmetrie in de relatie
Deze eis roept de coach op een evenwicht te zoeken in zijn of haar opstelling als gelijke of ongelijke tegenover de gecoachte. Het is een illusie te denken dat de gelijke positie bestaat. En zelfs als we menen dat een ’gelijkwaardige’ positie mogelijk is, blijft het altijd een beetje koorddansen. Bijvoorbeeld op het vlak van de hoeveelheid kennis die je als coach al dan niet inbrengt. De coach weet meestal nogal wat over het coachingsthema en tegelijkertijd wordt hij of zij geacht de ervaringen en al aanwezige kennis van de gecoachte maximaal te benutten.
Balans vinden tussen directiviteit versus non-directiviteit
Ook moeilijk te hanteren is het continuüm met aan de ene pool de volledige zelfsturing door de gecoachte en aan de andere pool de sturing door de coach. Wie verzint de tussentijdse opdrachten? Stelt de coach enkel vragen of geeft hij ook antwoorden? Wie bepaalt of het genoeg geweest is voor vandaag? Wie neemt het initiatief voor de opvolging van de vorige sessie? Wie beslist waar de coaching plaatsvindt?... Allemaal vragen die je in de ene of de andere richting kunt beantwoorden. Echt alles overlaten aan de gecoachte zou wel een staaltje van zelfsturing zijn, maar dan is coaching overbodig. En op het moment dat de coach alle verantwoordelijkheid voor de goede gang van zaken zou opnemen, gaat de coach voorbij aan de eis van zelfsturing.
Intellectuele flexibiliteit
Intellectuele flexibiliteit wil zeggen dat de coach iedere sessie tegemoet treedt met een open geest én deze open geest ook tijdens elke sessie in werking houdt. Wat niet wil zeggendat de coach al zijn of haar bagage tijdens de coaching overboord gooit. Wel betekent intellectuele flexibiliteit dat de coach zich bewust is van de eigen kaders en bereid is die in vraag te laten stellen. Want kaders, theorieën, opvattingen zijn altijd veralgemeningen die slechts juist totdat er iemand met een voorbeeld of een feit komt dat niet strookt met het kader. In navolging van de existentiefilosoof Sartre kun je in dit verband spreken over de ’progressief-regressieve houding’. De progressie in de kennisontwikkeling bestaat erin dat we theorieën of verklaringen ontdekken die op meerdere situaties van toepassing zijn. De regressie staat voor het steeds teruggrijpen naar de concrete werkelijkheid of voor het blijven kijken naar de concrete gebeurtenissen. Als we de regressieve stap over het hoofd zien, gaan de kaders een eigen leven leiden. Dan is er eerder sprake van intellectuele starheid. Een coach houdt altijd rekening met de concrete praktijksituaties van de gecoachte en gaat na of het eigen referentiekader hieraan aangepast is.
Tot slot: coachen doe je in dialoog
Misschien laten de zes eigenschappen van de begeleidingsstijl zich nog het best bundelen in de volgende boutade: tussen de coach en de gecoachte moet een echte dialoog ontstaan . En sterk vereenvoudigend parafraseren we Habermas wanneer we stellen dat voor een échte dialoog aan twee voorwaarden voldaan moet zijn. Eén, de gesprekspartners moeten elk een inbreng kunnen doen. Ze moeten kunnen meepraten. Twee, de gesprekspartners moeten invloed kunnen uitoefenen op het resultaat van het gesprek. In veel situaties is wel de eerste voorwaarde vervuld, maar niet de tweede. Bij coaching kunnen coach en gecoachte in dialoog gaan over alle inhouds- en proceselementen. Een voorbeeld van dialoog op inhoudelijk vlak: een gecoachte bepaalt haar leerdoelen, maar als de coach meedeelt dat zij dit leerdoel om één of andere reden niet belangrijk vindt, moeten coach en gecoachte samen tot een oplossing komen. Een voorbeeld op procesniveau: als de coach voorstelt om via een leesopdracht meer inzicht te verwerven over een thema en de gecoachte inbrengt dat hij of zij tegen de volgende sessie geen leestijd heeft, zullen beiden overleggen welke stap in het proces wel mogelijk is.
- ↑ Larock, Y. (2003). Coaching: een extra voertuig in het vormingslandschap. Vorming 18(4), 257-276.
- ↑ Larock, Y (2008). Participatief leidinggeven. Niet-gepubliceerde syllabus van de gelijknamige opleiding van Stichting Lodewijk de Raet. Meer info over deze opleiding vind je op www.de-raet.be/leidinggeven