Generaties burgerparticipatie
Uit Participatiewiki
Drie generaties burgerparticipatie
In de jaren ’70 van vorige eeuw werd de “eerste generatie burgerparticipatie” geïntroduceerd. In verschillende maatschappelijke domeinen werd de inspraakgedachte verspreid wat geleid heeft tot diverse radenstructuren. De idee die er achter schuil gaat is eenvoudig: burgers worden betrokken op beslissingen door hen de kans te geven advies te verstrekken. Tal van raden zijn op de diverse bestuursniveaus geïntroduceerd denk maar aan de cultuurraden, jeugdraden, seniorenraden, welzijnsraden enz...“De tweede generatie burgerparticipatie” doet zijn intrede in de jaren negentig. Dit maal gaat het niet langer meer over advisering maar om “interactieve beleidsvorming”. De idee die hier achter schuil gaat is die van een politiek stelsel waarin individu en overheid zonder go betweens met elkaar zaken doen. Referenda, de oprichting van ombudsdiensten zijn getuigen van deze periode.
Zowel in de eerste generatie burgerparticipatie als in de tweede speelt het geloof in een algemene consensus met een zekere duurzaamheid als het gewenste maatschappelijke resultaat van de onderhandelingsprocessen in de publieke ruimte een grote rol (Leenknegt & Goubin, 2007).
Evoluties zoals individualisering en globalisering en de daarmee gepaard gaande toenemende complexe maatschappelijke agenda dwingen ons na te denken over de rol en de plaats van burgerparticipatie binnen de democratie. In het debat worden kritieken niet geschuwd. Volgens de overheid zou de individuele burger te passief zijn rol als burger opnemen en/of zijn rol te éénzijdig invullen vanuit een utilitaire burgerschapsgedachte. Burgerschap wordt in dat opzicht te veel benaderd vanuit een rechtendiscours (ten koste van de plichten?) waarbij de notie burgerschap als sociale rol onderbelicht geraakt. De oorsprong van dit probleem kan echter ook bij de overheid zelf gezocht worden: een sterke instrumentalisering, professionalisering en zelfs klantgerichte benadering van het beleid hebben geleid tot een vermarkting van bestuur en politiek. Diezelfde overheid stoot op zijn grenzen in de aanpak van maatschappelijke problemen, ziet tegelijkertijd andere machten opstaan (bijvoorbeeld de media) en wordt geconfronteerd met een toenemende verschuiving van de beslissingsmacht naar andere (supra-)niveaus.
Volgens sommigen dreigt er een uitholling van de democratische rechtstaat: de burger is berekend geworden en wentelt de gevolgen voor zijn handelen af op de overheid. De betrokkenheid en het verantwoordelijkheidsbesef van de burgers daalt en de mensen leren handelen uit eigenbelang eerder dan uit algemeen belang. (Metz, 2006) Door burgerschap en burgerparticipatie enkel vanuit de eerste en tweede generatiegedachte te benaderen treden er belangrijke effecten op. Enerzijds leidt het tot een grote mate van sociale selectie. “Het bestuur gebruikt instrumenten die voor bestuurders en de op hen gelijkende burgers vertrouwd zijn: het woord in al zijn vormen. Inspraakprocedures zijn overgestructureerd en zijn teveel gericht op individuele, hooggeschoolde, mondige burgers” (De Rynck, 2007). Het betrekken van de burger bij het beleid gebeurt hoofdzakelijk volgens de logica, de agenda en het ritme van het bestuur. Burgers mogen mee praten ipv mee beslissen. Dit versterkt de positie van de politici in plaats van de burger. Vandaar dat politici vaker te vinden zijn voor deze vormen van indirecte, representatieve democratie dan voor directe democratie (Devos e.a. in Reynaert, 2005).
Uit het voorgaande mag blijken dat er in de traditionele manier van benaderen van burgerparticipatie voor het initiatief van de burger minder ruimte is en dat de burger weinig gestimuleerd wordt om zijn burgerschap te realiseren. De sterke professionalisering van de ambtenaren zal daar ongetwijfeld zijn steentje toe bijgedragen hebben. Doordat de specialisatie en bijgevolg de capaciteit aan beleidsvorming binnen de besturen toeneemt, ontstaat een drang om meer initiatief naar het bestuur te trekken (Block, Verlet & De Rynck, 2006). De overheid raakt teveel inzich zelf gekeerd, is met zichzelf bezig, is op zichzelf gericht en niet op de burgers (Van der Heijden e.a., 2007) En dat gebeurt net het moment dat er meer dan ooit behoefte is aan een buitenwaartse gerichtheid van besturen (De Rynck, 2006).
Van der Heijden e.a. (2007) zagen de oplossing van voorgaande problemen in een “derde generatie burgerparticipatie”. Deze derde generatie burgerparticipatie betreft het faciliteren van burgerinitiatieven door de overheid. Hier worden de rollen omgedraaid. Het initiatief ligt bij de burger en de overheid participeert. Het contact tussen burger en overheid is in deze derde generatie burgerparticipatie dan ook veel intensiever dan in de voorgaande generaties burgerparticipatie. Burgerparticipatie van de derde generatie heeft volgende kenmerken: burgers nemen zelf initiatief in het publieke domein. Dit initiatief is gericht op een collectief belang met meerwaarde voor de gemeenschap, past binnen de globale doelstellingen van de overheid en wordt gefaciliteerd door de overheid. Dergelijke vormen van burgerparticipatie veronderstellen een herdenken van de positie van de overheid en veronderstelt een politiek kader waarbinnen keuzes en belangen kunnen afgewogen worden.
De derde generatie burgerparticipatie komt niet in de plaats van de eerste of tweede maar vormt er een aanvulling op. Het is geen of/of verhaal. De overheid moet aan de ene kant zelf initiatief nemen en aan de andere kant moet ze burgers stimuleren om initiatief te nemen. De derde generatie burgerparticipatie veronderstelt niet alleen iets van de kant van de overheid (het faciliteren van initiatief van de burger). Ook de burger zelf wordt uitgedaagd om zijn positie en houding te herzien. De overheid heeft dus niet langer alleen als taak het aansturen op wenselijke uitkomsten, maar dient eveneens tijd en energie te steken in het bevorderen van contexten waarin burgers, instituties en professionals verantwoordelijkheid kunnen opnemen voor probleemoplossing (Brinkman, 2006).
Het is een uitdaging voor de samenleving maatschappelijke contexten en settings te creëren waarin burgers uitgenodigd worden democratische competenties te praktiseren. Op die manier kunnen we samen verder werk maken van de historische opdracht de democratie levendig te houden, uit te breiden en verder te verfijnen.
Wie dieper wil ingaan op deze drie generaties burgerparticipatie kan 'Het burger-ei: perspectieven op lokale burgerparticipatie' raadplegen (Verhoeven, 2008).
Bibliografie
Block, T.; Verlet, D. & De Rynck, F. (2006). De relatieve en irrelevante impact van het Gemeentedecreet op bewonersparticipatie. In: Reynaert, H.Naar een versterkte lokale en provinciale democratie? Brugge: Vanden Broele.
Brinkman, F. (2006). Verschil maken. Eigen verantwoordelijkheid na de verzorgingsstaat. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
De Rynck, F. (2006). Lokaal bestuur: een deel van de oplossing van het probleem. In: Goesting in democratie. Devos, C. e.a. EPO: Berchem.
De Rynck, F. (2007). Burgerparticipatie voorbij de representatie? Brugge: Vanden Broele.
De Vos, L. (2007). Galerij actieve burgers. Gedreven door goed gevoel. Gent: Sociumi.
Holford, J. & van der Veen, R. (2003). Lifelong learning, governance & active citizenship in Europe. Final report of the ETGACE research project. Guilford: University of Surrey.
Leenknegt, R. & Goubin, J. (2007). Burgerschap en leren vanuit drie perspectieven op het faciliteren van leren. Brontekst. Niet gepubliceerde tekst. Brussel: SoCiuS.
Metz, J. (2006). De 2-delige werking van intermediairen voor burgerparticipatie. Proefschrift. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling (2007). Vormen van democratie: een advies over democratische gezindheid. Amsterdam: SWP.
Devos, C.; Reynaert, H. & Verlet, D. (2005). Interactieve besluitvorming: ®evolutionair? In: Nieuwe vormen van bestuur. Brugge: Vanden Broele.
Van der Heijden, J.; Van der Mark, L., Merresonne, A. & Van Zuylen, J. (2007). Help! Een burgerinitiatief. Nederland: Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties. In Axis.