SEARCH
TOOLBOX
LANGUAGES
Inspraak van vrijwilligers

Inspraak van vrijwilligers

Uit Participatiewiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Theorie en praktijk

Wanneer je in vormingen het thema participatie aansnijdt, hoor je medewerkers van vrijwilligersorganisaties geregeld zeggen: “Ja natuurlijk hebben onze vrijwilligers inspraak!”. Als je dan doorvraagt over hoe die inspraak eruit ziet, schijnt de praktijk niet altijd even participatief te zijn.

Om van echte inspraak te kunnen spreken moet aan twee voorwaarden voldaan zijn. Sterk vereenvoudigd zijn dit de voorwaarden die de filosoof Habermas[1]. De eerste voorwaarde is dat de gesprekspartners iets in het gesprek inbrengen. Ze moeten kunnen meepraten. De tweede noodzakelijke voorwaarde zegt dat de gesprekspartners invloed moeten kunnen uitoefenen op het resultaat van het gesprek. Wat betekent dit voor de prakijk?

In een lokale afdeling van een vereniging kondigt de voorzitter wel eens aan: "Deze vergadering beslissen we samen waar we dit jaar op uitstap gaan". Vermits de collega-vrijwilligers kunnen meepraten, gaat de eerste voorwaarde van inspraak zondermeer in vervulling. "Bokrijk". "Brugge". "Grotten van Han"… Van bij de aanvang zit de voorzitter echter met Oostende als uitkomst in zijn hoofd. Als het er op aankomt, wordt het ook Oostende. Dit is een prototypisch voorbeeld van een situatie waarin in Habermas' optiek geen sprake is van echte inspraak. Want niet alle gesprekspartners konden een evenwaardige invloed uitoefenen op het resultaat; dus is er niet voldaan aan de tweede voorwaarde. Je kunt het voorbeeld gemakkelijk vertalen naar talloze situaties in het vrijwilligerswerk. Denk maar aan de inspraak over het ‘uurrooster’ van de vrijwilligers in een bejaardentehuis of een bibliotheek; de participatie van basisvrijwilligers in het beleid van een ngo; de besluitvorming over het jaarthema van een jeugdbeweging; het overleg over de vorming voor vrijwilligers in de telefonische hulpverlening; enzovoort. Telkens kun je nagaan of de vrijwilligers kunnen meepraten én daadwerkelijk een invloed uitoefenen op de uitkomst van het debat. Pas dan mag een organisatie beweren dat ze de inspraak van de vrijwilligers realiseert.

Natuurlijk kost inspraak ook tijd (en dus geld). Verder levert inspraak vaak enkele organisatorische hoofdbrekers op: “Wanneer en hoe brengen we al onze vrijwilligers samen?”. Bovendien is de kans op meningsverschillen groot en is de vrees voor conflicten terecht. Toch blijft inspraak ondanks deze kleine kantjes immens belangrijk: omwille het principe en omwille van strategische voordelen.

Een principiële kwestie

Over het principe kunnen we kort zijn. Vrijwilligers hebben recht op inspraak. Onze democratische waarden indachtig is een ondemocratische sturing door beroepskrachten en beleidsvrijwilligers ethisch niet verantwoord. Dat alle vrijwilligers mee sturing kunnen geven aan de organisatie waartoe ze zich verbinden, is principieel niet meer dan normaal. Hiermee zeg ik niet dat alle vrijwilligers mee moeten sturen.

Een strategische kwestie

Zoals aangekondigd is inspraak ook een strategische zaak. En in elk strategisch gezelschapsspel hangt het resultaat af van de onuitgesproken tactiek. In dezelfde termen is inspraak een tactiek die op korte en lange termijn heel wat winst oplevert.

Ten eerste zorgt inspraak ervoor dat de vrijwilligers geen dingen hoeven te doen waar ze niet achter staan. Om het belang hiervan aan te voelen, hebben we geen motivatietheorieën nodig.

Ten tweede houd je door inspraak toe te kennen, rekening met de uitdrukking ‘met twee weet je meer dan alleen’. Inspraak garandeert immers dat oplossingen voor problemen tot stand komen op basis van de expertise van meerdere mensen. Participatie aan de besluitvorming maakt de kans ook kleiner dat er bij de uitvoering te veel onvoorziene obstakels opduiken. Een vrijwilliger kan de beroepskracht bloed, zweet en tranen besparen met de simpele mededeling: “Als je de activiteit op dat moment organiseert, zul je heel moeilijk vrijwilligers vinden”.

Ten derde. Als je inspraak toelaat, zeg je tussen de regels door aan de vrijwilligers: “Voor ons telt jouw mening”. Dit is een boodschap waarover de psychologie vertelt dat personen zich verbinden met de instanties die die boodschap overbrengen: in dit geval niet de moeder, de vader, de leerkracht, de goede vriend of vriendin, maar de vrijwilligersorganisatie. Inspraak krikt met andere woorden ook de betrokkenheid van vrijwilligers op de organisatie omhoog.



  1. Kunneman, H. (1983). Habermas’ theorie van het communicatieve handelen: een samenvatting. Meppel: Boom.