Opvattingen over burgerschap
Uit Participatiewiki
Inhoud |
Verschillende opvattingen over burgerschap
Participatie impliceert niet enkel een wijzigende rol voor politici en ambtenaren maar ook een actieve inzet van de burgers – en dus ook een andere benadering van het concept burgerschap.
In het wetenschappelijk onderzoek over burgerschap is het gebruikelijk om een onderscheid te maken tussen drie opvattingen: republikeins, communautaristisch en liberaal burgerschap; in navolging van de Nederlandse politicoloog Van Gunsteren wordt er nog een vierde concept aan toegevoegd, namelijk het neo-republikanisme.Tot slot gaan we ook nog in op de relationele opvatting over burgerschap - vandaag de meest opgevolgde benadering.
Liberaal burgerschap
De liberaal-individualistische benadering ziet de burger als drager van rechten en voorkeuren. Ze gaat ervan uit dat elke burger zijn nut wil maximaliseren. Elke burger maakt zijn eigen calculaties op basis van zijn rechten en met respect voor de rechten van anderen. Er is geen verplichting om in het publieke leven te participeren. Impliciet is hier meestal sprake van een passief burgerschap: men verwacht van de burgers dat ze zich in ruil voor de bescherming die het sociaal contract van de staat biedt, aan de wetten houden en belastingen betalen. Publieke participatie is dus een recht en geen taak of opgave.
Communitaristisch burgerschap
De tegenpool van deze utilitaristische invulling van burgerschap is de opvatting dat burger zijn betekent dat men tot een historisch gegroeide gemeenschap behoort. Voor de gemeenschapsdenkers kunnen individuen alleen in gemeenschappen tot ontplooiing komen. Het lidmaatschap van levendige sociale gemeenschappen is de belangrijkste voorwaarde voor persoonlijke vrijheid. Daaraan is de burger meer loyaal dan aan een politieke gemeenschap (Tonkens 2008). Participatie wordt gezien als een belangrijke waarde, maar vanuit deze benadering participeert men dan vooral in de ‘civil society’, vrijwillige associaties en netwerken. Binnen het gemeenschapsdenken staat het plichtsbesef tegenover de eigen gemeenschap centraal en het nastreven van individuele rechten en interesses is ondergeschikt aan de gemeenschap.
Republikeins burgerschap
De aanhangers van de liberale invalshoek stellen dat gemeenschappen verstikkend kunnen zijn aangezien ze de individuele vrijheid beperken. Een alternatief voor het gemeenschapsdenken vormt het republikeinse burgerschap. Dat is een variant van het gemeenschapsdenken omdat het één gemeenschap maar dan in de betekenis van ‘gemeenschap van burgers’ (en niet gemeenschap in een betekenis van identiteit) centraal stelt. De klassieke of republikeinse visie benadrukt het algemeen belang (res publica) en het belang van politieke participatie door de burger. Burgers worden niet ‘geboren’ maar gemaakt: ze worden pas burger door hun actieve bijdrage aan de politieke gemeenschap. Republikeinse deugden zijn moed, toewijding, militaire discipline en staatsmanschap. Een kritiek op dit perspectief is dat het de andere gemeenschappen tot waar het individu toe kan behoren in de schaduw stelt en dat het een morele dwang tot participatie instelt.
Neo-republikeins burgerschap
Het neo-republikeinse burgerschapsconcept is relatief nieuw en vertrekt vanuit de gedachte dat de bovengenoemde concepten allemaal pasten bij een tijd die voorbij is. We hebben nu te maken met een veel dynamischere, complexere en pluriformere samenleving. Ander dan de republikeinen denken is de natie niet meer de belangrijkste politieke gemeenschap en is de publieke zaak dus ook niet meer vooral een nationale aangelegenheid. Anders dan de communautaristen menen, maken mensen nu deel uit van meerdere gemeenschappen.
Relationeel burgerschap
In de publicatie ‘Burgerparticipatie in Vlaamse steden’ hanteren de auteurs nog een ander burgerschapsconcept met name ‘het relationeel burgerschap’. Mensen zijn door en door sociale wezens. Iedereen ontwikkelt een identiteit in interactie met onze omgeving. Taal speelt daarbij een essentiële rol en is zelf een sociaal product. Deze identiteit is dus geen vaststaand, omlijnd gegeven, maar is het resultaat van een actief proces waarin en waardoor mensen een beeld construeren van zichzelf in relatie tot hun omgeving en waarbij ze hun eigen verhaal voortdurend herschrijven. Mensen ontwikkelen op die manier doorheen vele interacties ook een meervoudige identiteit: ouder, lid van een schoolbestuur, geëngageerd in een sociaal-culturele vereniging, stedeling, hoog- of laaggeschoold... Een gemeenschap is in deze benadering geen collectief waar mensen wel of niet deel van uitmaken op basis van objectieve kenmerken (zuil, kleur, afkomst, geslacht, rijk,…). Een gemeenschap is wat tussen mensen wordt gerealiseerd, in de tussenmenselijke verhoudingen, en waarin mensen een besef ontwikkelen van wat samenleven is (Masschelein 1993). Gemeenschapsvorming staat in deze benadering voor de ondersteuning die mensen ondervinden om een besef te ervaren van zowel individuele autonomie als sociale verbondenheid. Het aanvoelen van de autonomie en tezelfdertijd de sociale verbondenheid zorgen ervoor dat mensen besef hebben van en leren omgaan met de pluriformiteit en verschil in de wereld (Bouverne-De Bie 2005).
In interacties met andere mensen omgaan met pluriformiteit en diversiteit is een essentieel element in deze visie op burgerschap. Ze komt volgens de kerngroep tegemoet aan de kenmerken van onze samenlevingen. Dat is anders in een communautaristische of sociale visie op burgerschap. Voor deze gemeenschapsdenkers kunnen individuen alleen in vast omschreven gemeenschappen tot ontplooiing komen. Het lidmaatschap en dus ook de identificatie met de normen van die gemeenschap is de belangrijkste voorwaarde voor persoonlijke vrijheid (Stouthuysen 1997). Die normen zijn er, ze zijn omlijnd en horen tot het erfgoed van de gemeenschap: door die normen over te nemen maakt het individu deel uit van de gemeenschap. Wij stellen identiteit niet gelijk met een intrede tot een vaste gemeenschap maar als het steeds weer veranderend resultaat van interactie dat tot een gediversifieerd geheel van tijdelijke en veranderbare gemeenschappen en dus ook van identiteiten kan leiden.
Meer lezen
- Van Gunsteren (1992). Eigentijds burgerschap. Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. 126 p.
- Carton, A. et al. (2009). Burgerschapsconcepten in Vlaanderen: een internationale vergelijking. In: Vlaanderen gepeild. Pp. 30-63.
- Stouthuysen, P. (1999), Burgerschap: hedendaagse debatten over een klassiek ideaal,
- Overheid in Beweging, 2, 1-16.
- Stouthuysen, P. (2002),Waarom de burgers niet meer meedoen. De crisis van de democratie in perspectief gezet, pp. 7-17 in B. Hubeau & M. Elst (red.), Democratie in ademnood. Over legitimiteit, legitimatie en verfijning van de democratie. Brugge:Die Keure (Tegenspraak – Cahier 21).
- Tonkens, E. (2008) Mondige burgers, getemde professionals. Marktwerking en professionaliteit in de publieke sector. Van Gennep, Amsterdam
- Bouverne-De Bie, B. Wat is de rol van het sociaal-cultureel volwassenenwerk op het vlak van gemeenschapsvorming?, Discussietekst visiedag 5 oktober 2005.
- De Rynck, F. & Dezeure, K. (2009). Burgerparticipatie in Vlaamse steden. Naar een innoverend participatiebeleid. Brugge: Vanden Broele.
- Masschelein, J. (1993). Politieke vorming en het einde van de gemeenschap, in: Vorming, 9,1, p17-27.
- Stouthuysen, P. (1997), “Gemeenschapszin en sociaal kapitaal. Over Robert Putnam “, in Samenleving en Politiek, 4 (3), pp 36-43.
