SEARCH
TOOLBOX
LANGUAGES
Participatie+participatie=3

Participatie+participatie=3

Uit Participatiewiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Participatie + participatie = 3

Saskia Boone

April 2008

Alle jeugdbeleidsactoren op lokaal niveau zijn vertrouwd met het begrip ‘participatie’. Maar of jeugdraden, jeugdconsulenten en schepenen van jeugd dit begrip op een zelfde manier invullen is nog maar de vraag. Participatie is immers geen éénduidig begrip. Een kleinschalig onderzoek maakt dit nog eens duidelijk.

Opzet

In het kader van het voorbereidingsprogramma Master Sociaal werk aan de Universiteit van Gent, voerden de studenten dit jaar een onderzoeksstage uit. Hier kan je de voornaamste bevindingen vinden over een kleinschalig onderzoek in vier Oost-Vlaamse gemeenten. Van elke gemeente werden de schepen van jeugd, de jeugdconsulent, de jeugdraadvoorzitter en de voorzitter van de leerlingenraad geïnterviewd.

Enerzijds was het de bedoeling te peilen naar de invulling van het begrip ‘participatie’ door lokale jeugdbeleidsactoren. Onderstaande citaten geven weer dat er sprake is van een zekere begripsverwarring.

“Participatie, ja, het woord zegt het zelf: dat burgers meedenken rond het beleid. Burgers erbij betrekken” (schepen van jeugd)

“Wij hebben een adviserende rol, net als alle andere adviesraden. Wij brengen dus gewoon advies uit aan het schepencollege. Wat zij daarmee doen is een andere vraag natuurlijk.”(voorzitter van een jeugdraad)

“Inspraak en participatie worden vaak gekoppeld. Inspraak is het geven van je mening. Participatie gaat een stukje verder en is permanente betrokkenheid waarbij initiatief ook van onderuit komt. Een terugkoppeling vanuit het bestuur is hierbij belangrijk.”(jeugdconsulent)

“Participatie is inspraak hebben in het schoolgebeuren, om als leerling niet het gevoel te hebben dat je elke morgen naar school komt, lessen te volgen, ‘s avonds weer naar huis gaan, huiswerk maken en verder niets.”(voorzitter van een leerlingenraad)

Anderzijds ging het onderzoek manieren na om ongeorganiseerde jongeren beter te betrekken bij het lokaal jeugdbeleid.


Leden leerlingenraden = leden jeugdvereniging?

Eerst en vooral is het belangrijk te vermelden dat ongeorganiseerde jongeren een doelgroep vormden voor het onderzoek. Hierbij werden ‘ongeorganiseerde jongeren’ gedefinieerd als ‘jongeren die geen lid zijn van een jeugdbeweging’. Er werd aan schepenen, jeugdconsulenten en jeugdraadvoorzitters gevraagd of het betrekken van leerlingenraden een oplossing zou zijn om meer ongeorganiseerde jongeren aan het beleid te laten deelnemen. Allen gaven ze aan dat leerlingenraden een mogelijk kanaal zouden zijn. Iedereen maakte hierbij de bedenking dat wie geëngageerd is op schoolniveau dat wellicht ook is daarbuiten. Dus via de leerlingenraden zou grotendeels hetzelfde publiek worden aangesproken. Maar… dit is volledig weerlegd door de leerlingenraden zelf. Er was slechts één voorzitter met twee leden in de leerlingenraad, die eveneens lid waren van een jeugdvereniging. In de andere leerlingenraden was niemand van een jeugdvereniging vertegenwoordigd.

BJD & BJR – Bekende Jeugddienst en Bekende Jeugdraad

De werking van een jeugddienst is bekend bij ongeorganiseerde jongeren, de functie van de jeugdraad veel minder. Niks is minder waar. De ongeorganiseerde jongeren weten niet hoe ze moeten participeren aan het lokaal beleid. Na een woordje uitleg heeft de helft wel al gehoord van een jeugdraad, maar wat de taken van een jeugdraad zijn? Dat is niet gekend bij de voorzitters van een leerlingenraad. Evenmin konden leerlingenraden weergeven waarvoor ze bij een jeugddienst terechtkunnen en waarmee een jeugddienst bezig is. Ze geven wel aan dat ze als leerlingenraad geïnteresseerd zijn om mee te werken aan het lokaal beleid en eventueel een vertegenwoordiging in de jeugdraad willen aangaan. Vermits de leerlingenraden niet echt op de hoogte waren van jongerenparticipatie op lokaal niveau, werd er verder gewerkt met schepenen van jeugd, jeugdconsulenten en jeugdraadvoorzitters.

Hart is verrassend

Onderzoeken of er verschillende invullingen van participatie bestaan zou geen vernieuwende resultaten opleveren. In de literatuur staat al genoeg beschreven dat participatie geen éénduidig begrip is. Ik wilde weten of de invullingen die aan het begrip participatie worden gegeven, afhankelijk zijn van persoon tot persoon en of deze samenhangen met de functie die een persoon opneemt binnen het lokaal beleid. Om het begrip participatie in te vullen, is de participatieladder van Roger Hart een zeer dankbaar model. De treden van de ladder ziet hij als verschillende gradaties van participatie van kinderen. Bij de verschillende treden kan ‘kinderen’ evengoed worden vervangen door ‘jongeren’. De eerste drie treden van de ladder drukken non-participatie uit en de laatste vijf treden zijn verschillende gradaties van participatie. De eerste trede, manipulatie, betekent dat kinderen zeggen wat volwassen hen suggereren. In deze trap worden kinderen eigenlijk misbruikt. Dit wil zeggen dat de volwassenen een selectie maken uit wat kinderen zeggen en enkel die woorden gebruiken die voor hun van pas komen. De tweede trede, decoratie, spreekt voor zich: kinderen worden gebruikt als decoratie, zonder dat ze eigenlijk beseffen waarover het gaat. Ze moeten liedjes zingen, badges dragen, maar wat dit betekent weten de kinderen niet. Wie dit participatie noemt, buit het schattigheidseffect van kinderen uit. Bij tokenism (afkoping) worden kinderen gebruikt als alibi. Ze worden bevraagd, maar krijgen zo goed als geen mogelijkheden om hun eigen mening uit te drukken. Bij de vierde trede, invitatie, worden kinderen geïnformeerd over plannen en doelstellingen. Hier weten de kinderen hoe participatie zal worden ingevuld en wie, waar en wanneer zal beslissen. Hierbij is het belangrijk te weten dat volwassenen het project kiezen en erover beslissen. Een trede hoger, bij consultatie, krijgen kinderen effectief inspraak. Alles wordt gerund door volwassenen, maar kinderen worden geraadpleegd en hun meningen worden ernstig genomen. De kinderen krijgen inspraak, maar worden niet betrokken bij de uitspraak. Wanneer we ons op de zesde trede bevinden mogen kinderen effectief mee beslissen. Het proces wordt door volwassenen opgestart en kinderen worden betrokken bij elke stap. Ze beslissen mee gedurende het hele proces. Trede zeven is al een werkelijk kinderproject. Het wordt door kinderen opgestart en uitgevoerd. Volwassenen blijven in de buurt, ze blijven ter beschikking van de kinderen. Als laatste trede wordt alles samen beslist. Kinderen zetten het project op, maar nodigen volwassenen uit om met hen mee te beslissen (Hart, 1997). Wanneer de verschillende actoren de participatie in hun gemeente situeren op deze ladder, krijgen we een verrassend resultaat:






Hieruit kan worden afgeleid dat de actoren slechts in één gemeente op dezelfde lijn staan. Toeval of niet, dit is de kleinste gemeente. Er kan geen lijn getrokken worden in verband met de functie die personen uitoefenen en waar ze de participatie van jongeren plaatsen. In de ene gemeente schat de schepen de participatie van jongeren aan het lokaal beleid hoger in, in de andere gemeente is het de jeugdconsulent. De plaats die hier op de ladder wordt aangegeven, is waar de participatie van jongeren zich gemiddeld bevindt in de gemeente. Zo situeerde bijvoorbeeld de participatie van jongeren aan het Jeugdbeleidsplan (JBP) in gemeente 4 zich helemaal op de bovenste trede. Alle actoren van deze gemeente gaven aan dat de opmaak van het JBP volledig werd uitgevoerd door de jongeren zelf. Deze verschillende invullingen kan in de praktijk tot heel wat frustraties leiden. Zo is er bijvoorbeeld een schepen (gemeente 1) die vindt dat in zijn gemeente de jeugd voldoende betrokken wordt en dat altijd hun mening wordt gevraagd. Maar in dezelfde gemeente wordt door de jeugdraad dit verteld: “Ik moet straks naar de GECORO, daar staan drie belangrijke stadsplannen op de agenda en daarvoor is er een uitnodiging verstuurd Vier dagen voor de vergadering. Daar stond dan in: je kan de plannen komen inkijken tijdens de kantooruren. Dus ik heb niks ingekeken want ik moest werken. Wij zitten bij tokenism denk ik omdat de adviesraden gewoon decretaal verplicht zijn en verder gebeurt er niks mee. Veel inspraak naar het beleid is er momenteel niet.”

Debat

Uit bovenstaande figuur blijkt duidelijk dat schepen, jeugdconsulenten en jeugdraden de participatie van jongeren in hun eigen gemeente anders inschatten. Het gaat hier niet over wat ze dénken wat participatie moet zijn, maar wat participatie van jongeren momenteel in hun gemeente is. Als de meningen hierover al verschillen, dan kan je er zeker van zijn dat de verwachtingen van wat participatie van jongeren aan het lokaal beleid moet zijn, eveneens anders zijn. Hierdoor kan dezelfde aanbeveling gedaan worden als die van Coussée, Derynck en Tubex (2006): er is nood aan een debat tussen de verschillende actoren. Het wordt tijd dat de schepen van jeugd, jeugddienst en jeugdraad samen zitten en discussiëren over hun verwachtingen ten opzichte van elkaar, ten opzichte van participatie in theorie en ten opzichte van participatie in de praktijk. Zo zouden hun verwachtingen op elkaar afgestemd moeten worden. Ze kunnen bijvoorbeeld bij elk apart dossier bespreken wie welke taak moet vervullen. Als we teruggaan naar gemeente 1 bijvoorbeeld, wordt daar door de jeugdraad gezegd dat ze geen inspraak krijgen bij de bouw van een nieuw jeugdcentrum. Hierbij kan het al een oplossing zijn dat de jeugdraad een stappenplan vraagt aan het college van burgemeester en schepenen wanneer, bij welke stappen ze als jeugdraad zullen betrokken worden. Tot slot is de plaats op de ladder afhankelijk van heel wat factoren. De samenstelling en werking van het bestuur is van groot belang. Maar eveneens de werking van de jeugddienst en jeugdraad kan een verschil uitmaken voor de participatie van jongeren. De inschatting van de participatie kan jaar na jaar anders zijn.


Bronnen

Coussee, F., De Rynck, F., Tubex, S. (2006). De inspraak en participatie van kinderen, jongeren en het jeugdwerk in en aan het lokale beleid. Een onderzoeksproject in opdracht van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, Afdeling Jeugd. Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap


Hart, R. (1997). Children’s participation. The theory and practice of involving young citizens in community development and environmental care. New York: Earthscan Publications Limited.