SEARCH
TOOLBOX
LANGUAGES
Participatie en vervreemding

Participatie en vervreemding

Uit Participatiewiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Vervreemding: een blinde vlek in het streven naar participatie

Een antwoord op uitsluiting en kansarmoede ligt in het bevorderen van ‘participatie’ van de doelgroepen. Heel wat projecten en actoren zetten zich in om mensen aan de marge een volwaardige plaats in onze samenleving te bieden door hen te laten deelnemen aan (of deelhebben in) het sociale en culturele leven [1]. Tot zover klinkt alles aannemelijk en redelijk vanzelfsprekend. Maar wacht even, wat betekent dat juist, participeren aan ‘het’ sociale en culturele leven? Wie bepaalt waaraan ze dan juist moeten deelnemen, of wat een actieve betrokkenheid inhoudt? Ligt daar geen gevaar dat we – alle goede intenties ten spijt – impliciet de boodschap geven dat ‘onze’ cultuur het streefdoel voor allen is, en dat ze (van) hun eigen cultuur maar beter niet houden? Hoe kunnen participatieprojecten de valkuil vermijden dat zich ongemerkt een ongelijkheid installeert die juist haaks staat op een ‘volwaardige’ deelname?

Gelijk maar toch ook ongelijk

Recent hebben een aantal auteurs er terecht op gewezen dat het feminisme – dat streeft naar gelijkheid tussen vrouwen en mannen - soms misbruikt wordt door mensen of groepen met racistische motieven. Dat “wij, de Belgen” de gelijkheid van mannen en vrouwen nastreven (of toch beweren dat te doen) wordt door hen als argument gebruikt om te stellen dat onze cultuur superieur is aan die van “hen, de anderen”. Uiteraard gaat het dan vooral over de moslims, waarvan sommigen aan hun vrouwen kledingsvoorschriften opleggen die “ons” irriteren. De onderliggende racistische boodschap is dan dat die mensen zich aan onze culturele patronen, waarden en normen (en dus ook aan onze vestimentaire codes voor vrouwen) moeten aanpassen om goede burgers te worden. Deze redenering is natuurlijk vrij simplistisch. Hoe wil je dat mensen zich integreren en een gevoel van burgerschap ontwikkelen in een samenleving die neerbuigend doet over hun cultuur en tradities [2]? Het feminisme heeft dan ook overschot van gelijk als het zich tegen dit discours verzet. Het probleem is echter heel wat complexer dan dat. Het spanningsveld en de ongelijkheid tussen ‘wij’ en ‘zij’ kan zich ook heel subtiel en onderhuids manifesteren, alle goede bedoelingen ten spijt. En het doet zich ook voor bij kansengroepen van Belgische origine. Men kan immers niet ontkennen dat de professionele actoren die participatieprojecten opzetten (of het nu in de culturele, sociale dan wel de inschakelingssector is) doorgaans een andere socio-culturele achtergrond hebben dan de doelgroep. Deze verschillen zijn verweven met socio-economische verschillen, en daar schuilt een addertje onder het gras. Socio-economische posities gaan immers met status gepaard, en er bestaat dan ook steeds onmiskenbaar een statusverschil tussen de begeleid-st-ers (vormingswerk-st-ers, culturele actoren…) en het doelpubliek. Beiden staan niet ‘op gelijke voet’ in het proces, ook al heeft dat participatie als vooropgesteld doel. De cultuur van wat we hier gemakshalve als ‘de middenklasse’ zullen aanduiden, wordt bewust of onbewust als superieur gezien aan die van de doelgroep. Dat wil zeggen dat de machteloosheid van de kansengroepen “niet alleen gesitueerd moet worden in politieke of sociaal-economische, maar ook in culturele ongelijkheden”. [3]

Participatie of vervreemding?

In de ogen van de doelgroep zijn de vormingswerk-st-ers mensen die ‘geslaagd’ zijn, of die althans niet de problemen hebben waar zijzelf mee worstelen. Hun keuzes, levensstijl en waardepatronen moeten dan toch ook superieur zijn? Wat betekent dit verschil in status voor participatieve projecten of trajecten? Wat is de impact ervan op (de duurzaamheid van) de bereikte resultaten? Omgekeerd hebben ook de begeleid-st-ers (onbewust) het idee dat ze een ‘beter’ socio-cultureel gedragspatroon moeten representeren. Ze zien zichzelf als rolmodellen die aan de doelgroep een correcte levensstijl moeten voorhouden, betere socio-culturele gedragspatronen moeten aanreiken. Hun professionele taak is de kansengroepen aan oplossingen voor hun problemen te helpen, ook al zijn die problemen veelal juist een uiting van uitsluitingsmechanismen in de ‘dominante’ cultuur. Dit creëert een paradox in de positie van de socio-culturele werk-st-er die zelden gethematiseerd, laat staan beheerst wordt, en die een uitdaging vormt voor wie participatie wil bevorderen. Hoe vermijden dat de doelgroep zich een middenklasse discours of waardepatroon aanmeet louter omdat dat sociaal wenselijk lijkt? Hoe vermijden dat de begeleid-st-ers zelf ongewild de belichaming worden van een sociaal wenselijk, ‘normatief’ (cultureel) gedragspatroon en/of discours? Hoe met andere woorden vermijden dat acties die cultuurparticipatie willen bevorderen, onbedoeld tot vervreemding (afstand tot de ‘eigen’ belevingswereld en voorkeuren) leiden?

Wie definieert participatie ?

Om op deze vragen een antwoord te vinden, zette Flora met steun van de Vlaamse overheid het actieonderzoek “Bruggen naar participatie” op. Pilootprojecten die in een vijftal partnerorganisaties van Flora met laaggeschoolde vrouwen werden ontwikkeld [4], leverden het materiaal om bovenstaande vragen in kaart te brengen en om pistes voor ‘participatie zonder vervreemding’ te verkennen. Het uitgangspunt van al deze projecten was dat de vrouwen zelf mee definiëren wat participatie voor hen betekent. Vanuit Flora werd een ‘open’ kader aangereikt dat burgerschap omschreef als ‘toegang hebben tot de publieke ruimte’. Hoe die ruimte moet worden gedefinieerd, en wat ‘toegang hebben’ moet betekenen, werd telkens opnieuw met de vrouwen zelf afgebakend. Bovendien werd een waaier aan expressievormen en methodieken gebruikt om te vermijden dat het verschil in taal en taalgebruik toch weer tot een ongelijkheid tussen de vrouwen en de begeleidsters zou leiden. En ook de keuze van die methodieken en expressievormen werd telkens opnieuw met de doelgroep geëvalueerd en op grond daarvan bijgestuurd. Deze ‘co-constructie van kennis’ was ook voor Flora zeer leerrijk!

Participatie is impact hebben

Een cruciale voorwaarde voor het versterken van participatie bleek te zijn dat de mensen van de doelgroep zich eerst bewust worden van het belang van deelname, en hun gevoel van machteloosheid achter zich kunnen laten. Leren dat het zinvol en nodig is ‘hun zeg te doen’, kan maar door hen culturele en expressieve activiteiten aan te bieden waarin ze zelf impact hebben op het project, de begeleidsters, de organisatie en eventueel de ruimere omgeving. Het project ‘Bruggen naar participatie’ zoomt dan ook in op ‘voorwaarden en valkuilen voor participatie’ op die verschillende niveaus. Niet alleen de relatie tussen doelgroep en begeleidsters (microniveau), maar ook de rol die organisaties spelen (mesoniveau) en de ruimere beleidscontext (macroniveau) blijken sleutels voor participatie te bevatten. Het onderzoeksrapport van dit project is beschikbaar in het Nederlands: [1]

___

[1] Het project “Participatie door arbeid” onderzocht hoe een expo als ‘Vrouwelijk meervoud/Féminin pluriel’ (die van 2004 tot 2006 door België toerde en hier tal van lokale actoren en organisaties betrok) een hefboom kan zijn voor de inschakeling van laaggeschoolde en kansarme vrouwen. Het project ontrafelde de complexe relaties tussen arbeid en cultuurparticipatie. Voor het eindrapport: [2] [2] Zie ondermeer Van Parijs, Philippe & Brion, Fabienne (2009). Zouden we ze niet met rust laten ? De Morgen, 05/11/2009. Zie ook Arnaut, Karel e.a., (2009). Een leeuw in een kooi. De grenzen van het multiculturele Vlaanderen. Antwerpen: Meulenhof /Manteau. [3] Beyen, Marnix (2009). Vlaamse identiteit is aan vervanging toe. De Morgen 18/11/2009. Het project ‘Participatie door arbeid’ wierp een licht op de onderliggende verbanden tussen cultuurparticipatie en andere maatschappelijke domeinen en sectoren. [4] Deze pilootacties kaderden in het Flora-project ‘Van ik naar wij’ met steun van het Federaal Impulsfonds voor het Migrantenbeleid.