SEARCH
TOOLBOX
LANGUAGES
Participatieladder

Participatieladder

Uit Participatiewiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Een participatieladder geeft de mate van interactief beleid op een schematische wijze weer.
Het oorspronkelijke model van Sherry Arnstein wordt kort toegelicht, waarna een variant hierop wordt voorgesteld. Tenslotte worden enkele kritieken op de participatieladder geformuleerd en ook een begripsmatige actualisering.

Inhoud

Model Sherry Arnstein (1969)


Sherry Arnstein (1969) ontwierp oorspronkelijk een participatieladder met acht treden. Ze hanteerde hierbij als centrale vraag: “Is er al dan niet een machtsherverdeling waarbij diegenen die de macht in handen hebben, een deel ervan afstaan aan de zogenaamde have-nots (dit is de massa zonder macht)?”.

Actieve participatie houdt in dat het individu/de burger kan “deel-nemen” aan de vormgeving van de samenleving. Om de participant meer structurele kansen te geven om het beleid te beïnvloeden, worden zijn/haar positie en competenties ontwikkeld en ondersteund. Hoe lager op de ladder hoe minder sprake van participatie, aldus Arnstein (1969).

 Image:Ladder Arnstein.gif


De onderste twee treden slaan op wat Arnstein noemt “non-participatie”. Ze geven de machthebbers de mogelijkheid participanten te heropvoeden eerder dan hen werkelijk te laten participeren bij de opstelling van een plan.
De treden drie en vier vallen onder de noemer tokenisme, hetwelk de “machtelozen” de mogelijkheid biedt te horen en gehoord te worden. Er blijft hier echter een gebrek aan daadkracht, waardoor de meeste wensen dode letter blijven. Op de vijfde trede komt daar bij dat men advies mag verlenen, maar dat de uiteindelijke beslissingsmacht toch nog bij de machthebbers ligt.
Vanaf trede zes krijgen burgers de mogelijkheid zich in een onderhandelingspositie met de machthebbers te plaatsen. Wanneer we nog een stap hoger gaan naar de niveau’s zeven en acht krijgen burgers het merendeel van de beslissinghebbende zetels, of zelfs de volledige soevereiniteit, toegewezen. 

Het model van Edelenbos en Monnikhof (2001) 

Doordat het model van Arnstein door verscheidene auteurs werd aangevuld en gewijzigd, bestaan er momenteel verschillende varianten. Zoals in onderstaande tabel te zien is, maken Edelenbos en Monnikhof een onderscheid op basis van slechts vijf niveaus van participatie.


Participatieniveau Democratievorm Rol van overheid Rol participant Voorbeelden Methoden
Informeren Representatieve democratie Agendavorming door het bestuur, publiek wordt hiervan op de hoogte gehouden. Toehoorder Implementatie van EU-richtlijnen zoals mest-wetgevingen voor landbouwers. Participatie-methoden
Consulteren Inspraak- democratie Agendavorming door het bestuur, maar ziet publiek als partner bij beleidsvorming. Maar, resultaten uit het overleg worden niet als bindend voor het bestuur beschouwd. Geconsulteerde Een vraag naar kritiek op reeds voltooide plannen. Participatie-methoden
Adviseren Inspraak- democratie Agendavorming door het bestuur, maar publiek krijgt gelegenheid om problemen en oplossingen aan te brengen. De politiek kan hiervan enkel beargumenteerd afwijken. Adviseur Tijdens een voorlichtingsavond kan gevraagd worden tussen drie mogelijkheden te kiezen en deze keuze voorzien van de nodige commentaar. Men zal de gekozen optie uitwerken, rekening houdende met de geleverde commentaar. Participatie-methoden

Coproduceren /

Cocreatie(*)

Interactieve- democratie Bestuur en betrokkenen komen samen een agenda overeen, men zoekt samen naar oplossingen. Het bestuur verbindt zich aan de hieruit voortgekomen resultaten. Partner Een publiek-private samenwerking waarbij een private onderneming en de overheid samen een bedrijventerrein aanleggen. Participatie-methoden
Zelfbeheer Directe- democratie Bestuur laat agenda- en beleidsvorming volledig over aan de betrokkenen en speelt hierin zelf slechts een adviserende rol. Beslisser Wijkbeheer Participatie-methoden

Kritiek op de participatieladder

In de realiteit zijn participatievormen vaak complex en zijn ze op meerdere treden van het het model te situeren. Een strakke opdeling van participatievormen is dus dikwijls artificieel. Daarnaast dient opgemerkt te worden dat in realiteit noch de have-nots, noch de machthebbers een monolitisch blok vormen hoewel diverse groepen elkaar wel als dusdanig percipiëren. 

(*) Cocreatie

Steeds vaker spreken we over 'cocreatie' i.p.v. over 'coproduceren'. Dit heeft veel te maken met het feit dat 'coproductie' als begrip ook gehanteerd wordt in  commerciële contexten (zie Prahalad e.a., 2004). Het gaat er dan om dat je als klant mee beslist over bijvoorbeeld de samenstelling van je auto of van je laptop; of dat je via een 'tool' op internet een fotoboek ontwerpt dat je enkele dagen later in je brievenbus vindt; of dat je kan mee beslissen over wie niet meer meedoet in een volgende aflevering van televisieprogramma's als 'Big Brother'. En in de context van beleidsparticipatie en organisatieontwikkeling gaat het uiteraard om complexere participatieprocessen.


Referenties

Arnstein, Sherry R. (1969). A Ladder of Citizen Participation, Boston: American Institute of Planners, Vol. 35, No. 4, July 1969, pp. 216-224.

Devos, C. (2006). De kleermakers en de keizer. Inleiding tot de politiek en de politieke wetenschappen, Gent: Academia Press, p. 210.

Germonpré, S., Goubin, E., Rubben, M. (2006). Van schietstand tot denktank bewonersplatforms als inspirerend model voor steden en gemeenten. Sint-Brugge: Samenlevingsopbouw West-Vlaanderen, p. 16.

Heins, M. (2001). Interactieve beleidsvorming, een houding. Leeuwarden: Heins Advies, p.2.

Instituut voor Publiek en Politiek (2002). Eindverslag onderzoek Grotestedenbeleid. Participatie in het publiek domein. Amsterdam: Instituut voor Publiek en Politiek, p. 67.

Kalk, E. & De Rynck, F. (2003). Burgerbetrokkkenheid en bewonersparticipatie in de Vlaamse steden, In: De Rynck, F. (Red.), Voorstudies-Witboek Stedenbeleid: De eeuw van de stad. Over stadsrepublieken en rastersteden, Project stedenbeleid, Brussel: Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, pp. 453-479.

Prahalad, C.K., Ramaswamy, V. (2004). De toekomst van concurrentie. Amsterdam: Business Contact.