Sociale Participatie
Uit Participatiewiki
Inhoud |
Enkele begripsomschrijvingen
- “Sociale participatie: ‘deelname van (groepen) burgers aan de samenleving, zoals het hebben van werk, volgen van onderwijs, betrokken zijn bij de leefbaarheid van de eigen omgeving’”[1]
- Bij sociale participatie gaat het over het dagelijks leven, over (al dan niet formele) beslissingen die een invloed hebben op het leven van elke dag. Eén van de belangrijkste kenmerken ervan is het ‘inclusief werken’ (B. Percy-Smith): kinderen en volwassenen participeren binnen een zelfde realiteit. Het gaat om een actieve betrokkenheid bij wat er in de buurt en de wijk gebeurt, een medeverantwoordelijkheid (al is dat een zeer zwaar woord).[2]
- Sociale participatie houdt in het op een actieve en constructieve manier deelnemen aan informele en formele verbanden. Door deze deelname kan een zelfstandige positie worden verworven in de samenleving. En wordt er een bijdrage geleverd aan het functioneren van de samenleving. [3]
Sociale participatie en sociale competentie: een wisselwerking[4]
In de meeste westerse samenlevingen wordt er naar gestreefd jongeren optimale kansen te bieden tot participatie in de samenleving, ongeacht geslacht, sociaal milieu, etniciteit en religie. De ontwikkeling van individuele talenten staat daarbij voorop.
De sociale participatie wordt de afgelopen jaren vooral bevorderd door een beleid gericht op het vergroten van de deelname aan onderwijs en arbeid. Hiermee worden in principe de voorwaarden geschapen voor een succesvolle participatie in de samenleving.
De huidige opvoeding en educatie van jongeren is vooral gericht op verwerving van individuele competenties. Er komt echter steeds meer aandacht voor de bevordering van sociaal gedrag. Dit is van belang voor de bevordering van engagement en voor de verbetering van de kwaliteit van de samenleving.
Men wil jongeren kansen te bieden om te participeren in velerlei verbanden. Met dit streven is niet alleen de sociale integratie gediend, maar ook de sociale cohesie van de samenleving. Onder sociale cohesie wordt verstaan de betrokkenheid van mensen bij de samenleving als geheel, de oriëntatie op collectieve waarden en normen, de deelname aan maatschappelijke instituties en organisaties, de participatie aan sociale netwerken en de onderlinge sociale waardering van verschillende groeperingen.
Omdat in de huidige samenleving veel traditionele verbanden zijn weggevallen, is sociale participatie van jongeren minder vanzelfsprekend. De huidige wereld biedt jongeren weinig regels en weinig vaste kaders. Zo is het voor jongeren niet zonder meer duidelijk bij welke groep ze horen. De jongerencultuur kent veel subculturen met eigen regels en codes. De keuze voor en de aansluiting bij een bepaalde subcultuur vergt van jongeren een grote sociale inspanning. Daarnaast nemen jongeren deel aan het gezinsleven en de school. Daar gelden vaak andere verwachtingen dan diegene die jongeren zelf voor ogen hebben.
Informele en formele verbanden
Bij sociale participatie wordt er een onderscheid gemaakt tussen informele en formele participatie. Onder informele participatie worden de verbanden met het gezin, de familie, vrienden en de peergroep verstaan.
In de huidige samenleving is de institutionele betrokkenheid minder dan vroeger. Mensen voelen zich minder gebonden aan kerk, vereniging, politieke partij, het werkverband en zelfs de school. Informele kringen zijn belangrijker in de vorm van vrienden, netwerken en gevarieerde vrijetijdsverbanden (Hooghe, 2001). Het initiatief om daar deel van uit te maken moet nu meer van de persoon zelf uitgaan dan vroeger het geval was. Er moeten ook vaker nieuwe relaties worden aangegaan in de eigen levenssfeer of het werk. De sociale participatie stelt dus andere eisen aan de persoon. Het uiterlijk en de sociale handigheid spelen een belangrijke rol, terwijl in langdurige verbanden loyaliteit en eerlijkheid een grote sociale waarde hebben. Voor kwetsbare groepen brengt het tekort aan sociale informele netwerken extra risico’s met zich mee.
Onder formele participatie wordt verstaan de deelname aan de kerninstituties van onze samenleving zoals onderwijs, welzijnsinstellingen, sport en arbeid. De kansen op participatie in de samenleving worden al of niet begunstigd door de onderwijspositie, de arbeidsmarktpositie, het inkomen en ook de plaats van huisvesting. De toerusting om posities te verwerven wordt mede bepaald door de omstandigheden van het ouderlijk gezin. De sociaal-culturele situatie en de eigen cognitieve vermogens zijn van invloed op de aard van de opvoeding die door ouders wordt gegeven. De verdere ontwikkelingskansen in onderwijs en samenleving zijn in hoge mate afhankelijk van de geboden opvoeding. De aard van de informele participatie beïnvloedt dus de formele participatie en daarmee de positie die men in de maatschappij inneemt.
De onderwijspositie, de arbeidsmarktpositie, hetinkomen en ook de plaats van huisvesting zijn van invloed op de kansen op participatie in de samenleving. Het streven is dat de kerninstituties, in het bijzonder het onderwijs en de arbeid zo zijn ingericht dat de kansen op participatie in de samenleving voor individuen, ongeacht hun herkomstpositie, zo groot mogelijk zijn.
Kwaliteiten sociale participatie
Niet alleen de kwantiteit en duur van deelname aan formele en informele verbanden dient te worden bevorderd maar ook de kwaliteit. We onderscheiden drie soorten kwaliteiten:
- Verantwoordelijkheid
Het nemen van verantwoordelijkheid staat in relatie tot de acceptatie van heersende normen en waarden. Dit wordt bevorderd door een hechte relatie met opvoeders, waarin het bieden van motivatie, het stellen van regels en het geven van vertrouwen en verantwoordelijkheid centraal staan.
- Betrokkenheid
De eerste sociale binding en daarmee betrokkenheid ontstaat in informele verbanden zoals het gezin en de vriendengroep binnen en buiten school. Een sterke affectieve band van jongeren met hun ouders is een belangrijke basis voor het goed functioneren in de samenleving. Jongeren die een sterke band met school hebben, profiteren meer van het onderwijs en blijken later sociaal beter te functioneren. Het effect van de band met vrienden op het sociale gedrag van jongeren hangt af van de gehanteerde normen en waarden binnen de vriendengroep.
- Een constructieve en actieve inzet
Deelname aan verbanden houdt ook in dat een daadwerkelijke bijdrage wordt geleverd aan het functioneren van die verbanden. Het is van belang dat jongeren zich actief en constructief inzetten voor verbetering van de situaties waarin ze participeren zoals school, vrije tijd en werk. De inzet kan worden bevorderd indien jongeren zich verantwoordelijk en betrokken voelen. Dit ‘commitment’ is echter weer afhankelijk van de mogelijkheden die worden geboden tot participatie.
Bevordering van sociale participatie: de toegankelijkheid van opleidingen en de mogelijkheden voor vrije tijdsbesteding zijn belangrijk voor de bevordering van sociale participatie van verschillende groeperingen. Door de toenemende welvaart neemt de participatie in vrije tijdsbesteding en werk wel toe, maar niet iedereen heeft gelijke kansen op participatie. Dat geldt zowel voor deelname aan het vrije tijdsaanbod als voor deelname aan het onderwijs. Binnen welzijn en onderwijs worden op lokaal niveau steeds meer concrete mogelijkheden geschapen om sociale participatie te bevorderen, onder meer door belemmeringen voor deelname weg te nemen. Het onderwijs kent in principe een breed aanbod. Toch zijn er omstandigheden die er toe leiden dat kwetsbare groepen minder gebruik maken van het aanbod. Zo wordt deelname beperkt indien het onderwijsaanbod onvoldoende aansluit op de behoeften van leerlingen. Ook de kwaliteit van het onderwijs kan deelname beperken. Daarom worden bijvoorbeeld maatregelen genomen om voortijdig schoolverlaten te voorkomen.
Sociale competentie
‘Sociale competentie is het vermogen tot integreren van eigen inzichten, attituden en vaardigheden teneinde taken uit te voeren gericht op de ontwikkeling van de eigen identiteit en de sociale participatie in de samenleving. Dit gebeurt op zodanige wijze dat de resultaten van waarde worden geacht in de betreffende sociale context en cultuur’.
Het verwerven van sociale competentie is een onderdeel van de identiteitsontwikkeling. Aan die identiteitsontwikkeling worden in de huidige open maatschappij bijzondere eisen gesteld. Zo vereist het omgaan met verschillende maatschappelijke groeperingen een eigen stellingname alsook het vermogen zich te kunnen inleven in de normen en gewoonten van anderen. Ieder individu dient in de samenleving zijn weg te bepalen en zijn plaats te vinden. Het ontwikkelen van sociale competentie is daarbij een vereiste.
Het verwerven van sociale competentie als onderdeel van de identiteitsontwikkeling is mede afhankelijk van sociale participatie en andersom. Zo is een positieve identiteitsontwikkeling van belang voor een positieve participatie in de samenleving, maar de identiteit kan zich alleen ontwikkelen in interactie met die omgeving. Sociale competentie houdt in het kunnen verrichten van sociale taken. Daarbij wordt een onderscheid gemaakt tussen sociaal competent gedrag en de vaardigheden die daaraan ten grondslag liggen. Sociaal competent gedrag wordt getoetst aan de binnen een groep geldende normen en waarden.
We onderscheiden bij sociale competentie de volgende componenten:
• gebruikmaken van kennis en beschikken over sociale vaardigheden ( zelfsturing, communicatief handelen, oplossingsgericht handelen);
• een attitude bepalen, mede op grond van morele afwegingen. Belangrijke attitudes: zelfvertrouwen, betrokkenheid en inzet)
Deze componenten werken als factoren op elkaar in. Sociaal competent handelen houdt uiteindelijk in dat een persoon vanuit een individuele inbreng, maar in relatie tot anderen, op adequate wijze sociale taken verricht.
Ontwikkelingstaken
Sociale competenties kunnen ontwikkeld worden via ontwikkelingstaken. Deze taken betreffen de eigen ontwikkeling (zelfstandigheid), de relatie met anderen (omgang met anderen) en het functioneren in de samenleving (verrichten van taken). Jongeren moeten de kans krijgen om binnen de opvoeding en in de samenleving ontwikkelingstaken te vervullen, om hun aanwezige potenties aan te spreken.
De term ontwikkelingstaken wordt vooral in verband gebracht met de ontwikkeling van de eigen identiteit, maar het gaat ook om sociale taken die verricht moeten worden om te participeren in de samenleving, zowel in belang van het eigen welzijn als in het belang van de maatschappij.
Mogelijkheden
De mogelijkheden voor sociaal competent handelen en sociale participatie worden niet alleen door het individu bepaald, maar ook door de samenleving als geheel en de sociale verbanden waarin men leeft. De kansen om in formele, institutionele verbanden te participeren hangen in hoge mate af van het aanbod binnen informele verbanden, zoals het gezin, de vriendengroep en de buurt.
De mogelijkheden tot participatie in de samenleving kunnen worden herleid tot drie factoren: de hulpbronnen, de kansenstructuur en de in- en uitsluiting.
- De hulpbronnen bestaan uit het opleidingsniveau en de werkervaring, de aanwezige opvattingen over en oriëntaties op bijvoorbeeld vrijetijdsbesteding en werk, de informele netwerken die ondersteunend zijn voor de formele netwerken en de ervaring met en kennis over de maatschappelijke kerninstituties.
- De kansenstructuur betreft de inrichting van het onderwijs en de werkgelegenheid. De kansen in het onderwijs zijn mede afhankelijk van het aanbod aan onderwijsplaatsen en de specifieke voorzieningen in het onderwijs. De kansen op werk zijn afhankelijk van de heersende conjunctuur en van de structuur van de arbeidsmarkt.
- De in- en uitsluiting houdt in dat bepaalde groepen bedoeld of onbedoeld worden bevoordeeld of benadeeld met betrekking tot de hulpbronnen en de kansenstructuur. In het bijzonder op het gebied van arbeid moet discriminatie van personen of bepaalde groepen worden voorkomen.
De wisselwerking tussen de hulpbronnen, de kansenstructuur en de in- en uitsluiting verklaart de kwetsbare positie van jongeren uit lagere herkomstmilieus. Jongeren uit deze milieus kunnen minder profiteren van de hulpbronnen in hun directe omgeving. Daardoor lopen ze het gevaar het onderwijs voortijdig te verlaten, met als gevolg een minder goede (start)positie op de arbeidsmarkt.
Ook de in- en uitsluitingmechanismen hebben een relatie met de herkomst. Jongeren uit lagere milieus en etnische groepen worden op het terrein van onderwijs en arbeid, maar ook vaak in de maatschappelijke dienstverlening benadeeld. Ze zijn niet of nog onvoldoende ingewijd in de onuitgesproken regels en gebruiken van het gangbare sociale verkeer. Het ontbreekt deze jongeren aan bepaalde sociale competenties.
In- en uitsluitingsmechanismen zijn hardnekkig en moeilijk te beïnvloeden omdat ze zijn ingebed in een samenlevingscultuur van individuen, groepen en instituties.
Achtergrondvariabelen
De ontwikkeling van sociale competenties en de kansen tot sociale participatie worden bepaald door een aantal moeilijk te beïnvloeden achtergrondvariabelen zoals leeftijd, sekse, etniciteit, huisvesting en de sociaal-economische situatie waarin men leeft en van waaruit gehandeld moet worden.
- ↑ NIZW, Schema sociale processen, Opgehaald in http://www.nizw.nl/thesaurus/socialeparticipatie.htm
- ↑ Dialoogdag BUUR(t) - 07.10.05 Werkgroep 7: KINDEREN EN JONGEREN actors in de buurt (Jan Van Gils – Kind en Samenleving.
- ↑ Walraven, M. en Appelhof, P., (2002), Sociale competentie ter bevordering van sociale participatie, Utrecht: Oberon.
- ↑ Walraven, M. en Appelhof, P., (2002), Sociale competentie ter bevordering van sociale participatie, Utrecht: Oberon.