SEARCH
TOOLBOX
LANGUAGES
Spreekgedrag

Spreekgedrag

Uit Participatiewiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Een interessante inhoud en mooi audiovisueel materiaal dragen veel bij tot een goede voordracht. Doch het spreken zelf en de wijze waarop je voor de groep staat, zijn ten minste even belangrijk. Spreken moet meer zijn dan gewoon het aflezen of opzeggen van een tekst. De manier van spreken bepaalt heel sterk of de toehoorders aandachtig blijven. Je spreekgedrag wordt gekenmerkt door non-verbaal en verbaal gedrag. Non-verbaal gedrag is de taal die je lichaam spreekt. Dit gebeurt zelfs zonder dat er woorden aan te pas komen. Het non-verbaal gedrag hangt wel vaak samen met het verbaal gedrag. Dit is de manier waarop je de woorden uitspreekt. Verbaal gedrag zonder non-verbaal gedrag is niet mogelijk. Aan beide onderdelen van het spreekgedrag moet je aandacht besteden. Hieronder worden een heleboel tips opgenomen die je daarbij helpen.

Inhoud

Non-verbaal gedrag

Oogcontact

Door de luisteraars af en toe aan te kijken, stimuleer je hen om aandachtig te blijven. De mensen voelen zich door oogcontact persoonlijk aangesproken. Kijk niet enkel naar één persoon. Kijk ook niet enkel naar de personen die instemmend knikken of enthousiast reageren. Geef iedereen het gevoel dat je het woord tot hen richt. In een grote zaal bepaal je vooraf enkele \’kijkpunten\’ zodat je blik de hele zaal bestrijkt.

Houding

Loop niet constant heen en weer en richt je tot het publiek. Ga rechtop staan, in plaats van op een tafel te leunen of te wiebelen van het ene op het andere been. Als je rechtop staat, zal je zekerder overkomen. Je voelt je ook zelfzekerder.

Gebaren

Gebaren zijn een belangrijk hulpmiddel om je verhaal te ondersteunen. Ze drukken vaak hetzelfde uit als wat je met woorden zegt. Bijvoorbeeld: met drie opgestoken vingers het woord "drie" uitspreken of een enorm armgebaar maken wanneer je "heel groot" zegt. Let wel op dat je niet overdrijft in het maken van gebaren. Tracht ook eventuele \’tics\’ te beperken, zoals het spelen met je halsketting of het wrijven door je haar.

Mimiek

Je gezichtsuitdrukking geeft informatie over de aard van de boodschap en over je gevoelens. Zo zegt een lachend gezicht dat je blij bent met de boodschap. Een sip gezicht hoort eerder bij een droevige mededeling. Waak erover dat je mimiek overeenstemt met de inhoud van je boodschap. Anders raakt het publiek in verwarring.

Verbaal gedrag

Stemgebruik

Een ontzettend eentonig spreker slaagt er niet in om zijn luisteraars te boeien. De stem zorgt ervoor dat je luisteraars aandachtig blijven. Een aantal zaken waar je op kan letten, worden op een rijtje gezet.

  • Volume: spreek voldoende luid (roep niet, zorg eventueel voor een microfoon).
  • Tempo: spreek eerder langzaam dan te snel.
  • Intonatie: wissel van intonatie om klemtonen te leggen.
  • Articulatie: spreek de woorden correct, duidelijk en volledig uit.
  • Pauzes: af en toe een korte stilte brengt rust; vermijd wel de stoplappen zoals ’eh’ .

Taalgebruik

Zorg voor een aangepaste, gemakkelijke taal. Een geschreven tekst kan je herlezen. Luisteraars daarentegen moeten alles wat je zegt meteen begrijpen.

  • Geen te lange zinnen.
  • Spreektaal: gebruik levendige taal en geen geschreven taal.
  • Vermijd passieve taal: vermijd dus de werkwoorden ’worden’ of ’zijn’ .
  • Geen moeilijke woorden.
  • Vermijd twijfelende taal: niet te veel verkleinwoorden en woorden als ’proberen’.
  • Geen stopwoorden zoals ’begrijpt u’, ’in principe’, ’dus’...
  • Persoonlijke stijl: spreek de mensen aan met u of je, in plaats van ’men’ te gebruiken.


Enkele bronnen

  • Eckhardt, L. & Ijzermans, T. (1994). Het woord is aan u! Over spreken voor groepen. Zaltbommel, Thema.
  • Kleinsma, K. & Baars, N. (1995). Beter presenteren. Utrecht, Stichting Educatieve Omroep Teleac.
  • Larock, Y. (1998). Spreken voor groepen. Brussel: Vormingsinstituut Rode Kruis-Vlaanderen.