SEARCH
TOOLBOX
LANGUAGES
Vormingsmethodieken

Vormingsmethodieken

Uit Participatiewiki

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Inleiding[1]

Bij een methodiek staat een bewuste, doelgerichte, procesmatige, systematische doordachte manier van handelen centraal (vormt één geheel met de visie). Een methodiek staat in tegenstelling tot een intuïtieve werkwijze. Als organisatie moet men constant keuzes en afwegingen maken tussen:

  • de leermiddelen (hulpmiddelen die het leren bevorderen bvb. brochures, documentatiemappen, audiovisueel materiaal, enz)
  • de procedures (ter ondersteuning van het functioneren van bepaalde werkwijzen, bvb. kennismakingsprocedures),
  • de werkvormen (manier van werken die door een organisatie wordt gehanteerd om een bepaald programma te realiseren bvb. een studiedag) de werkwijzen (manier van werken om een bepaald leerdoel te realiseren bvb. rollenspel, er kunnen verschillende werkwijzen binnen een werkvorm voorkomen).


Er kan een onderscheid gemaakt worden tussen werkvormen waarbij het accent ligt op het individueel leren, het leren in groepsverband en het leren in een groter sociaal verband:

1) Individueel leren

  • (Individuele) raadgeving (counseling)/dienstbetoon: advies en begeleiding verstrekken op vraag op vraag van werklozen en informatie aanbieden.

2) Leren in groepsverband

  • Infosessies, bijeenkomsten
  • Cursussen of leergangen: overdracht van informatie, leerdoelen vastleggen en een leerroute uitstippelen

3) Leren in groter sociaal verband

  • Opbouwwerk: het gaat om het introduceren en het begeleiden van verbeteringsprocessen in grote groepen of gemeenschappen. Binnen het opbouwwerk kunnen verschillende werkmethoden onderscheiden worden zoals de sociale actie.
  • (Educatieve) campagne: via een campagne wil men de brede bevolking sensibiliseren voor bepaalde problemen, informatie verstrekken of inwerken op de mentaliteit. Hiervoor kan gebruik gemaakt worden van de pers, radio, tv, enz.


Bij de werkwijzen maakt men een onderscheid tussen:

1) Werkwijzen gesteund op waarnemen
bvb. de presentatie of vertoning; de video

2) Werkwijzen gesteund op luisteren of lezen
bvb. individuele studie (via publicaties, brochures, tijdschrift, educatieve uitzendingen via radio of tv); informatieoverdracht; voordracht/lezing;

3) Werkwijzen gesteund op gesprek
bvb. counseling; gespreksvormen: groepsdiscussie, brainstorming, enz. ;

4) Werkwijzen gesteund op doen
bvb. werkgroepen: projectgroepen, taakgroepen, atelier, workshop, enz.;

5) Werkwijzen die steunen op directe of indirecte ervaring
bvb. ervaringsoefeningen en –spelen (competenties aanleren): rollenspelen, interactiespelen.


De keuze voor een welbepaalde methode wordt bepaald door:

  • de inhoud van het programma
  • de leerdoelen die men vooropstelt
  • de deskundigheid en ervaring van de professionals die de methodes moeten hanteren
  • de instelling van de deelnemers (hun verwachtingen en wensen t.a.v. de methodes)
  • de mogelijkheden van de werkvormen, werkwijzen en procedures

De opleiders/begeleiders/ondersteuners[2]

Enkele belangrijke eigenschappen

  • Respect voor opvattingen en ideeën van de deelnemers: men moet zich bewust zijn van de relativiteit van de eigen opvattingen als begeleider wat niet betekent dat men als lesgever zijn eigen opvattingen angstvallig moet verbergen (een getuigenis roept op tot een grotere betrokkenheid bij de deelnemers)
  • Eerbied voor de privé-aangelegenheid: het niet bekend maken van privézaken in de groep en eerbied tonen wanneer mensen bepaalde zaken niet bespreekbaar willen maken.
  • Kunnen verwijzen als begeleider: bij problemen verwijzen naar professionele hulpverleners. Men moet wel aandacht hebben voor de dingen waar de deelnemers mee zitten zoniet leidt het hen af van de educatieve bezigheden.
  • Vakbekwaamheid: goed geïnformeerd zijn over het domein waarin men optreedt. Goede informatie moet ook goed gebracht worden, op maat van de mensen die men voor zich heeft.
    Deskundigheid op inhoudelijk vlak: beschikken over de nodige informatie en zich regelmatig bijscholen. Een grote dosis vertrouwen in het eigen kennen en kunnen is ook noodzakelijk, zoniet krijgen de deelnemers er een onveilig gevoel bij.
    Deskundigheid op methodisch vlak: de inhoud moet op een gepaste manier overgebracht worden. De begeleider dient de deelnemers als gelijkwaardige volwassenen te beschouwen. De inhoud wordt best aangebracht in een taal die de taal is van de deelnemers. Een warme stem, gebruik van mimiek en van handen scheppen nabijheid. Men moet altijd vetrekken vanuit de behoeften van de deelnemers: waarom komen ze?
  • De eigen blokkades kennen: blokkades van fysieke aard (vermoeid, ziek), het werktempo (de begeleider gaat te vlug doorheen de materie zodat de groep zich overdonderd voelt en dichtklapt of onderling begint te praten), te veel routine (verlies aan motivatie zodat men niet meer zo alert is om in te spelen op de behoeften van de groep).


De begeleider vervult een modelfunctie: bij het begin van een groep is de betrokkenheid op de begeleider zeer groot. Men verwacht en ontvangt informatie van de begeleider? Wanneer de groep zich wat meer thuis voelt zal de communicatie tussen de deelnemers ook meer gekruist verlopen. Een goede begeleider moet in feite een duizendpoot zijn. Er worden eisen gesteld zowel qua inhoudelijke en methodische deskundigheid als qua betrokkenheid bij de doelstelling en functionering van de groep. De hoofdmotivatie van de begeleider moet steeds zijn dat hij/zij iets wil doen ten dienste van de deelnemers. Een grote dosis enthousiasme van de lesgever is dan ook geen overbodige luxe. Ook aandacht voor constante bijscholing en bevraging van zichzelf is zeker onmisbaar.


Aandacht voor motivatiebevorderende factoren


Er zijn uiteenlopende motieven waarom mensen een vorming volgen. Sommigen zijn minder gemotiveerd dan anderen. Toch is een goede motivatie belangrijk aangezien ze het leerproces en de leerprestaties van de cursisten beïnvloedt. De begeleider kan bij het ontwikkelen van de vorming een bijdrage leveren om die motivatie op te peil te houden en/of te bevorderen.

Motivatie bevorderende factoren

  • Een goede voorlichting over de cursus: de cursisten moeten duidelijk weten wat de vorming inhoudt en wat er van hen verwacht wordt. Wanneer de cursus niet overeenkomt met de verwachtingen bestaat het risico dat ze zich terugtrekken of zich ongemotiveerd gaan gedragen.
  • Zorg ervoor dat je zelf gemotiveerd bent, dat wordt afgestraald op de groep.
  • Ken uw cursisten. Probeer waar mogelijk enige informatie over de deelnemers te verzamelen. Een kennismakingsronde bij het begin is steeds interessant.
  • Geef de deelnemers een stuk verantwoordelijkheid, laat ze waar mogelijk meedenken en bied hun mogelijkheden om zaken in te brengen.
  • Neem uw deelnemers serieus. Laat ze merken dat ze meetellen, dat het u interesseert hoe ze zich voelen en gedragen.
  • Kies voor een gevarieerde aanpak qua didactische werkvormen. Horen, zien en doen geeft een hoger rendement en zorgt voor een grotere betrokkenheid.
  • Houd rekening met de gevoelens. Probeer zodra u merkt dat er spanningen of irritaties in de groep ontstaan deze te verminderen of weg te nemen.
  • Zorg voor een niet al te grote groep. Bij een kleinere groep is er sneller onderling contact mogelijk.
  • Accepteer van de deelnemers dat ze fouten maken. Raak niet geïrriteerd wanneer het begrijpen en verwerken van de stof langer duurt dan ingeschat.
  • Wees eerlijk, zeg wat u wilt zeggen en draai er niet omheen.
  • Bevorder het samenhorigheidsgevoel. Laat de deelnemers samen aan een opdracht werken, iets bediscussiëren.
  • Zorg dat u aanspreekbaar bent tijdens de bijeenkomst en indien gewenst ook daarna.
  • Zorg ervoor dat eventueel schriftelijk materiaal aantrekkelijk om lezen is.
  • Zorg voor een optimale lesaccommodatie.
  • De begeleider moet duidelijk aangeven wat het belang is van de vorming. De deelnemers willen horen hoe relevant het aangeboden materiaal is voor hun functioneren.

Hoe krijg ik aandacht? Hoe houd ik de aandacht vast tot het einde van mijn verhaal? Wat moet ik doen om te boeien?
Zorg ervoor dat u voldoende energie hebt.
Zorg voor variatie in de lesvormen.
Zorg voor een concreet verhaal dat op de juiste momenten van voorbeelden wordt voorzien. Blijf niet steken in theorie.
Confrontatie met een pittige uitspraak of een uitdagende stelling werkt ook.

 

Structuur van een vormingsactiviteit 

Het formuleren van leerdoelen

Spanningsveld tussen feitelijke situatie (tekort) en gewenste situatie (toereikend).
De leerdoelen fungeren als leidraad (info overbrengen ivm job of opleidinggerelateerde items/thema’s).
Ze helpen ook om achteraf gemakkelijker de kennis en vaardigheden te evalueren.

De functies van leerdoelen:
- een hulpmiddel bij het vastleggen van de inhoud van de les
- een hulpmiddel bij het samenstellen van vragenlijst evaluatie
- beïnvloeden de keuze van de werkvormen
- geven de deelnemer inzicht in wat er van hem verwacht wordt

Categorieën Leerdoelen:
- Cognitieve leerdoelen: doelen waarbij het uitsluitend gaat om het aanreiken van kennis (kennen, begrijpen, toepassen, analyseren, synthetiseren, beoordelen)
- Affectieve leerdoelen: voor opleidingen die in het houding-vaardigheidsgebied liggen (luisteren, aandacht geven, reageren, waarderen, toenadering)
- Psycho-motorische leerdoelen: de combinatie verstand-motoriek speelt een belangrijke rol (ontwerpen, toepassen, beheersen, nabootsen).
De leerdoelen dienen specific, measurable, achievable, relevant and timable te zijn.

Naast deze indeling kunnen we ook nog de indeling globale en specifieke leerdoelen plaatsen: bvb. na afloop van de infosessie kunnen de deelnemers zelfstandig contact opnemen met de VDAB of een sollicitatiegesprek voeren. De specifieke leerdoelstelling (per cursusonderdeel) geeft weer wat er in een bepaald dagdeel zal gebeuren.

De beginsituatie

De beginsituatie kunnen we beschrijven aan de hand van:

  • Persoonlijk-sociale aspecten:

   - de cursist (ervaring/voorkennis, leercapaciteit, leeftijd, motivatie, enz.)
   - de docent/begeleider: het plannen, uitvoeren en evalueren van een sessie vergt enkele vaardigheden en kennis (vakkennis, didactische en    
   sociale vaardigheden, organisatievermogen, prettig vormingsklimaat creëren, enz.)
   - de cursusgroep (samenstelling, sociale structuur)

  • Situationele aspecten:

   - het tijdstip (dag, dagdeel) waarop vorming gegeven wordt zal de informatiedichtheid en de werkvorm bepalen

  • Materiële aspecten:

   - de accommodatie: (locatie, subruimtes, materiaal, opstelling)


Het is van groot belang om het lesdoel, het begingedrag en de leerstof aan elkaar te koppelen zodat er sprake is van zinvol leren. Zinvol leren betekent dat de docent nieuwe informatie integreert met wat de deelnemer reeds weet. Wanneer de lesgever de beginsituatie verkeerd ingeschat (beginniveau ligt hoger of lager) heeft dan moet hij de leerdoelen bijstellen. Het is tevens belangrijk om alle situationele en materiële factoren naar uw hand te zetten en te controleren.

De vormingsinhoud/lesstof

Een indeling kan zijn: inleiding, midden, slot, vragen/antwoorden. Hoeveel tijd heeft men toegemeten gekregen ( een strikt tijdsschema of meer
speelruimte)? Volgens welk principe zal men de leerstof ordenen?

Na het verzamelen van de informatie dient men deze te structureren. Wanneer er een goede structuur is kan men ook gemakkelijker in modules werken.

Ordeningsprincipes:
- logische ordening: de onderdelen worden na elkaar in hun totaliteit afgewerkt, het ene onderdeel bouwt voort op het andere. Bij meerdere sessies kan teruggekoppeld worden naar een vorige sessie;
- thematische ordening: de cursusinhoud is gegroepeerd rond een aantal thema’s. Elk thema is opgesplitst in subthema’s;
- chronologische ordening: volgens een bepaalde tijdsvolgorde die in het onderwerp is ingebouwd;
- de probleem-georiënteerde ordening: de docent biedt geen kant en klare informatie aan, de cursisten moeten zelf kennis vergaren en produceren. Hier worden situaties gecreëerd waarin de cursisten problemen aanpakken en oplossen. Case-study is een geschikte werkvorm.

Zorg ervoor dat:
- de sessie op een eenvoudig niveau begint, aansluitend bij het actuele beginniveau en werk naar een hoger niveau toe, stapsgewijs;
- de sessie zo concreet mogelijk start, de deelnemers leren het vlugst wanneer ze via concrete lesstof naar theorie worden geleid;
- alle cursisten de rode draad in het verhaal ontdekken en vasthouden. Hou er bij het verdelen van de cursusstof rekening mee dat de cursist niet langer dan 35 minuten geconcentreerd kan luisteren.

Het geven van vorming/lesgeven zelf

  • Tell them what you’re going to tell them

- jezelf kort voorstellen
- de cursisten zich laten voorstellen
- de structuur van de sessie meedelen
- publiek warm maken
- de neuzen in dezelfde richting stemmen
- thema afbakenen
- leerdoelen vastleggen
- naar leerverwachtingen peilen
- praktische afspraken bvb. pauzes en eindduur
- beklemtonen dat men steeds vragen mag stellen

  • Tell it

Overbrengen van informatie. Hoeft niet per se alle informatie mee te delen. Zorg vooral voor het bijbrengen van inzicht en wijs op de praktische relevantie van hetgeen men bijbrengt. De keuze voor een presentatie of een training, voor éénrichtingsverkeer dan wel interactiviteit hangt af van de beschikbare tijd. Een gedetailleerd tijdsschema is aangewezen als lesgever. Beëindig de sessie nooit later dan voorzien, bij tijdsnood laat men beter stukken vallen. Leg daarom prioriteiten in de over te brengen informatie. Let op je stem (spreek luid genoeg, articuleer, breng variatie in de stem), dit om de aandacht te trekken en te houden.

  • Tell them what you told them

Een samenvatting van de belangrijkste leerpunten en de aangeboden informatie (herhaling is belangrijk). Nagaan of de deelnemers tevreden zijn over verloop en opzet van de cursus, of hun verwachtingen werden ingevuld, of de leerdoelen werden bereikt.

Didactische werkvormen

De didactische werkvormen en hulpmiddelen worden gekozen in functie van de leerdoelen, de doelgroep en de eigen mogelijkheden.


  • Voordrachtsvormen/instructievormen

- Doceren (lezing, uiteenzetting)
De nadruk ligt op de rol van de begeleider. Hij is actief, legt zaken uit. Hoofdzakelijk sprake van éénrichtingsverkeer. De deelnemers zitten veelal in de luisterrol. Deze vorm is geschikt wanneer het om kennisoverdracht gaat, wanneer het om een grote groep gaat, wanneer er weinig tijd beschikbaar is en wanneer er sprake is van een hoge informatiedichtheid. Deelnemers hebben een vrij passieve rol, geen uitwisseling ervaring mogelijk. Komt het best tot zijn recht in combinatie met andere werkvormen. ‘Doceren is doseren’.
- Filmvertoning/ videovertoning/educatief tv-programma (overbrengen van info)


  • Interactievormen/Gespreksvormen

1) Discussievormen
- Groepsdiscussie
Geschikte werkvorm voor bij de training van sociale vaardigheden. Er is interactie/tweerichtingsverkeer.
2) Vragen stellen
- Onderwijsleergesprek
Een interactieve opzet zoals bij groepsdiscussie maar veel meer gestructureerd. De trainer brengt informatie aan maar vraagt de  
cursisten regelmatig om reacties d.m.v. het stellen van kritische vragen (moeten actief meedenken). Hij brengt de deelnemers stapsgewijs en   
geleidelijk tot bepaalde kennis en inzicht. Naast kennisdoelen is er ook ruimte voor vaardigheidsdoelen. Ook de actieve en creatieve deelname van de deelnemers werkt stimulerend en motiverend. Niet geschikt voor grote groepen.


  • Opdrachtsvormen

Deze werkvormen zijn erop gericht de deelnemers vertrouwd te maken met de informatie en de vaardigheden in te oefenen.
- Case-study
Een herkenbare probleemsituatie. Kennis en inzicht verwerven maar ook vaardigheden komen aan bod: leren analyseren van probleem, komen tot een oplossing, enz. De communicatieve vaardigheden worden ook geoefend. Neemt wat tijd in beslag.
- Rollenspel
Oefenen van sociale vaardigheden bvb. sollicitatievaardigheden
Spelen/observeren, registreren en nabespreken.
- Huiswerk


  • Samenwerkingsvormen

- Groepswerk


  • Spelvormen

- Rollenspel
- Kennismakingsspelen

De media

Welke audiovisuele hulpmiddelen worden gebruikt ter ondersteuning/versterking van de leerinhoud:

  • Schriftelijk lesmateriaal: syllabi, fotokopieën, enz.
  • Auditieve media: radio, cassetterecorder, enz.
  • Visuele media: modellen, flipovers, magnetische borden, overheadprojectoren, enz.
  • Audiovisuele media: diaprojectie met geluid, videorecorder, enz.
  • Simulatoren: computer gestuurde oefenprogramma’s
  • Computer


De keuze van het medium wordt bepaald door:
- geschiktheid: is het medium geschikt om mijn doel te bereiken
- moeilijkheidsgraad: kunnen de cursisten het medium aan
- kosten
- beschikbaarheid
- technische kwaliteit
- ervaring: kan men met het medium overweg

Evaluatie

Veel gebruikte methoden zijn: het houden van een groepsbespreking, het observeren van de deelnemers, het laten invullen van een vragenlijst. Elementen die aan evaluatie onderworpen kunnen worden: de doelstellingen, de deelnemers, de gebruikte methoden, de randvoorwaarden, enz.

  1. Educatieve programma’s maken. Een inleiding in de methodiek van het programmeren, H. Hinnekint
  2. Dusauchoit, V., (1991), Vanuit de Ervaring. Vormingswerk met volwassenen, Leuven: Acco, 154 p.