Wat is een praktijkgemeenschap
Uit Participatiewiki
Inhoud |
"Praktijkgemeenschap" volgens Wenger (1998)
Drie dimensies van een praktijkgemeenschap
Praktijkgemeenschappen ontstaan in organisaties en daarbuiten als mensen – wars van formele afbakeningen in hiërarchie, teams en afdelingen – komen tot samen werken, leren, veranderen en innoveren. Wenger stelt dat elke praktijkgemeenschap uit drie dimensies bestaat:
a. Betrokkenen gaan met elkaar een wederzijds engagement aan. Ze zijn samen betrokken in acties waarvan ze de betekenis met elkaar samen creëren. Ze vinden zo elk hun unieke plaats, hun eigen bijdrage.
b. Betrokkenen engageren zich in een gemeenschappelijke onderneming, waarbij de gemeenschappelijkheid voortdurend onderwerp is van onderhandeling. Ze tekenen samen een project, een richting uit ten aanzien waarvan elk lid zijn verantwoordelijkheid opneemt. In overeenstemming hiermee wordt er onderhandeld wat er toe doet en wat niet, wat gerechtvaardigd is om te doen, enzovoort
c. Het gedeeld repertorium wordt gaandeweg doorheen de geschiedenis van de praktijkgemeenschap opgebouwd en bevat de "resources" voorhanden om in te schakelen in de samenwerking. Dit bevat zowel allerlei artefacten, instrumenten, concepten, verhalen (reïficatieve elementen) als handelingen, conversaties, samenwerking (participatieve elementen).
Twee facetten van een praktijk
Praktijken krijgen betekenis als er een evenwicht en een samenspel is tussen reïficatie ("verdingen"; dingen maken en vastleggen) en participatie (samen aan de slag gaan). Dat zijn twee kanten van dezelfde medaille, en als de ene kant overheerst dan komt de continuïteit van betekenis in gevaar.
Te weinig participatie/te veel participatie. Als bijvoorbeeld “wij streven naar kwaliteit” niet meer is dan een woord, een ding, een slogan aan de muur, dan blijft die zin verder zonder betekenis. Wat van belang is dat mensen met dat idee van “kwaliteit” samen aan de slag gaan. Dan is er participatie en zo wordt dode kennis levend.
Te veel participatie/te weinig reïficatie. Maar ook reïficatie, dingen vastleggen is nodig omdat participatie op zich te vluchtig is. In die vluchtigheid gaat ook veel betekenis verloren. Daarom nemen mensen bijvoorbeeld verslag van een vergadering (reïficatie).
En dat verslag dreigt dode letter te blijven tenzij mensen er weer mee samen aan de slag gaan (participatie). En dat leidt tot actie waaruit nieuwe documenten of andere dingen resulteren (reïficatie). En dat gaat zo maar door.
Participeren is niet-participeren
Wenger stelt dat participatie en non-participatie steeds samen gaan. Betrokkenen kunnen perifeer in de praktijkgemeenschap opereren: mensen staan met één been in de gemeenschap en de nadruk ligt op hun participatie binnen die gemeenschap. Dat houdt in dat ze tot op zekere hoogte niet participeren om een bepaalde vorm van participatie toe te laten. Opereren in de marge betekent andersom dat mensen het accent leggen op hun niet participeren: mensen staan met één been uit de gemeenschap. Dat evenwicht en samenspel tussen participatie en non-participatie maakt dat we sommige betrokkenen opzoeken en anderen vermijden, dat we aan sommige dingen aandacht besteden en andere dingen links laten liggen, dat we van alles willen weten en ook van alles negeren en vergeten. Kortom, betrokkenen zijn altijd tegelijk binnenstaander én buitenstaander.
Drie elementen van erbij horen
Lidmaatschap betekent erbij horen, en dat doen we, aldus Wenger, op drie manieren:
(1) door ons actief te engageren, door mee te doen
(2) door imaginatie, verbeelding, het creëren van beelden over de wereld en het leggen van verbanden, en
(3) door afstemming en coördinatie van acties, competenties en perspectieven om projecten gerealiseerd te krijgen.
Deze drie dimensies zijn ook bronnen van leren.
(1) Betrokkenen leren als ze zich ook engagement, maar te beperkt of eenzijdig engagement kan dit verhinderen.
(2) Imaginatie bevordert engagement, maar bepaalde beelden kunnen ineffectief blijken of los staan van elk engagement doordat ze geen aansluiting vinden bij de praktijken van de gemeenschap.
(3) Afstemming zorgt ervoor dat de praktijkgemeenschap slagkracht heeft en gewenste effecten kan bewerkstelligen, maar als afstemming van buitenaf of van bovenaf wordt opgelegd en afgedwongen, kan ze engagement in de kiem smoren en gemeenschappen verlammen.
De rol van het design in de leergemeenschap
Volgens Wenger kan het leren zelf niet worden gedesigned of ontworpen. Het design resulteert immers niet sowieso in leren. Wat we wel kunnen ontwerpen, zijn situaties die het leren faciliteren. Leren is dan eerder een mogelijke respons van de lerende op de resources die binnen het design worden aangeboden. Het design is slechts een opportuniteit en leren is slechts een mogelijkheid. Daarom dient elk design in zekere zin minimalistisch en "ondergespecifieerd" - of "ondergedetermineerd" (Holman et al., 1997) - te zijn om zo mogelijkheden te scheppen. Het design mag geen keurslijf zijn en moet aanpasbaar zijn aan de situaties en betekenissen die binnen de leersituatie tot stand komen. Het is een kwestie van een uitnodigend kader aan te bieden waarbinnen het design zelf kan heronderhandeld worden. Zo kunnen de betrokkenen komen tot eigenaarschap en gedeelde verantwoordelijkheid ten aanzien van de leersituatie.
Bronnen
Holman, D., Pavlica, K. & Thorpe, R. (1997). Rethinking Kolb’s Theory of Experiential Learning in Management Education. The Contribution of Social Constructionism and Activity Theory. Management Learning, 22 (2), 135-148.
Wenger, E. (1998). Communities of Practice. Learning, Meaning, and Identity. Cambridge: Cambridge University Press.